Interview

Paul Röttger

Interview met Paul Röttger, sinds 1988 leidinggevende aan het Rotterdams Centrum voor Theater.
Door
Dirk Monsma
Paul Röttger geeft sinds 1988 leiding aan het Rotterdams Centrum voor Theater. Zijn rol is directeur, regisseur, acteur, docent en voor alles voorvechter van een rechtvaardiger wereld. Wie tiener was in de jaren zeventig, zag hem als vijftienjarige Michiel in de tv-serie Oorlogswinter naar de gelijknamige roman van Jan Terlouw. Vanaf 1978 behoorde Paul Röttger elf jaar tot het vaste ensemble van het RO Theater. Bij het RCTH maakt hij maatschappelijke thema’s zichtbaar als seks en scholieren, homoseksualiteit en ouderen, geweld en eenzaamheid. Hij houdt van Rotterdam met al zijn tegenstellingen en beleeft dat als inspiratiebron voor zijn voorstellingen. De poort naar de studio’s van het Rotterdams Centrum voor Theater/Cultuurhuis Delfshaven aan de Mathenesserdijk 293 ligt verborgen achter opzichtige APK keuringsstations, maar zodra de deur zich opent wordt een bezoeker opgenomen in een oase met theater als reflectie en troost.

Paul Röttger: Hier wordt theater verkocht
Voor de huidige voorstelling ‘Wie is er nou gek?’ interviewde Paul Röttger mensen met een psychiatrische achtergrond en vertaalde hun verhalen naar theatrale portretten. Professionele acteurs zijn de vertellers en de betrokkene zelf luistert. Het publiek bij deze voorstelling zit rondom de acteurs en de psychiatrische patiënten en beleeft zo de verhalen mee. Paul Röttger: “Hun verhalen zijn zo mensonterend, dat kan je je haast niet voorstellen. Dat dit in deze tijd nog kan bestaan, vind ik een mirakel. Kunst maakt dingen duidelijk. Het leven is vaak heel naar en verdrietig. Theater is troostrijk. Theater is een thuis, daarom koken we bij alle voorstellingen”.

Anders
Ik zocht als kind een andere wereld. Niet dat ik wereldvreemd was, want ik was juist brutaal en schopte overal tegenaan. “Is dit het?” dacht ik dan. Toen ik mijn gevoelens als homoseksualiteit had benoemd, dacht ik: “Oh, dan is dit wat ik als kind voelde”. Uiteindelijk vind ik die hele homoseksuele wereld bourgeois. Met rollenpatronen, en sferen en die kroegen en… daar heb ik het jaren gezocht, maar niet gevonden. Pas de laatste tien jaar weet ik dat het dieper zit. Er is meer dan we waarnemen via onze zintuigen en het cognitieve. Daarin speelt het spirituele van mijn moeder een rol. Als kind heb ik altijd al gedacht “Hij zegt dat wel, maar hij zegt eigenlijk ook iets anders. Zij ziet er zo uit, maar misschien heeft zij er ook een ander gezicht. Theater wijst ons de weg naar een andere wereld.

Vader en moeder
Op mijn vijfde kocht mijn vader een oud hotel in Lichtervoorde met een toneelzaal. We kwamen daar aan en mijn moeder zei tegen ons dienstmeisje “Laat jij Paul maar even het hotel zien”. Eerst liepen we door een grote zaal met allemaal stoelen. Ze duwde mij een trapje op en zei “Loop maar verder”. Ik kwam terecht tussen gordijnen, die allemaal op elkaar leken, zodat ik de weg niet meer terug kon vinden en ik in paniek raakte. Ik was zowel bang als gefascineerd. Dat was mijn eerste toneelervaring. Er hing een positieve spanning in het pand en ook tussen mijn ouders. Ko van Dijk, Ton Lensink, Ank van der Moer hebben allemaal bij ons gespeeld. Daarnaast waren er veel feesten en partijen. Mijn vader maakte, als er maar enigszins een reden was, een feest. Ik houd nog steeds heel erg van feestjes en heb inmiddels geaccepteerd dat ik het werk van mijn vader voortzet. Mijn moeder vond ons de leukste kinderen van de wereld. Daar teer ik nog elke dag op. Zij was zo verliefd op haar kinderen. Toen zij zeven jaar geleden overleed, vond ik dat heel onrechtvaardig.

Luisteren en praten
In ons enorme hotel was een muziekschool gevestigd, waar ik les had en trommelde bij een fanfare. Vreselijk. Muziek maken vind ik nog steeds niet leuk. Op het lyceum leerde een docent mij om te luisteren naar klassieke muziek. Ik zal nooit vergeten dat hij De Moldau van Smetana opzette en ons leerde om op zoek te gaan naar wat de muziek vertelt: “Kijk, hier hoor je het water. Hier hoor je de rotsblokken”. Een vriendin die ik bewonderde en lief had, nam mij in die periode mee naar klassiek ballet. Mijn ouders vonden dat meteen leuk. Op school vonden de leraren dat heel gek. Van mijn twaalfde tot mijn achttiende danste ik ontzettend fanatiek. Na een uitvoering in de schouwburg van Arnhem vroeg Ger Thijs, regisseur van de Arnhemse Toneelgroep Theater of ik auditie wilde doen, want ze zochten een jongen voor de voorstelling Het leven van Galilei van Brecht. Ik werd aangenomen. Ger Thijs gaf mij les, want ik had ook tekst. Ik voelde me bij het theater meer thuis dan bij dans. Niet dat ik kon meepraten met die acteurs. Ik zat in het repetitielokaal en luisterde. Niet dat ik het begreep, maar ik zag wel dat ze echt met elkaar in gesprek waren en dacht “Dit voelt beter”. Want ik ben talig. Ik herinner me van de toneelschool vooral de chaos in mijn hoofd. “Wat is dit nou allemaal?” en “Wat moet ik ermee?” Ik denk met terugwerkende kracht dat dansen en theaterspelen mij hebben gevormd, want ze gaven mij structuur.

De kast
Op mijn zestiende benoemde ik mijn homoseksualiteit. ‘Uit de kast komen’ noem ik het niet, want ik heb niet in de kast gezeten. In mijn omgeving lag het moeilijk, maar dat gaf me een positieve energie: “Zie je wel, ik ben inderdaad anders”. Dat maakte me sterker en brutaler. Als iemand iets negatiefs zei over homoseksuelen, dan ging ik op de vuist. Als je anders bent, dan moet je dat vooral zelf accepteren en je daar niet voor schamen. Het kan helpen om jezelf te profileren. Homoseksualiteit is een manier van leven met alle voor- en nadelen die het heteroseksuele ook zal hebben. In de kern zit het heteroseksuele ook in mij, want ik kan me goed voorstellen dat ik verliefd word op een vrouw. Mijn moeder, die geen enkele moeite had met mijn homoseksualiteit, zei altijd “Ik denk dat je het niet bent; het is voor jou gewoon makkelijker”. Ik koos er voor deze weg te bewandelen.

Wat denk je nou?
Op de theaterschool in Arnhem heb ik vier geweldige jaren gehad. Op mijn docenten uit die tijd ben ik nog altijd trots. Onno Molenkamp – hij is helaas overleden – was een heel bepalende docent. Hij was heel erg driftig. En hij zei eigenlijk alleen maar in lessen “Wat denk je nou? Wat denk je nou?” En dan gaven wij tekst, die wij uit ons hoofd hadden geleerd, want daar werd vooral met tekst gewerkt. Hij hield zich nooit bezig met hoe we die tekst zeiden. Nee, en dan riep hij altijd:“Maar, wat denk je nou? Wat denk je nou, godverdomme? Godverdegodver! Ik wil zien dat je denkt!” Dat begrijp ik nu steeds beter. Dat het gaat om wat er tussen de regels staat. Dus dat wat je niet ziet. Om wat daar achter zit.

Rechtvaardig
In het derde jaar van de toneelschool deed ik auditie voor Oorlogswinter. Aart Staartjes ging een serie maken naar aanleiding van het boek van Jan Terlouw. Daar deden honderden jongens auditie voor en ik werd uitgekozen en kreeg de hoofdrol. Dat heeft mijn carrière tot en met vandaag bepaald. Ik was meteen een sterretje. Nog voor mijn eindexamen had ik film- en camera-ervaring. Die serie ging de hele wereld over, zodat ik daar tien jaar op heb kunnen bouwen, want het werk kwam allemaal vanzelf. Aart Staartjes was een goede regisseur. Ik was twintig en werkte meteen met de grootste toneel- en filmacteurs. Oorlogswinter werd een prachtige serie, bestaande uit dertien delen van vijftig minuten. Aart heeft me daarbij heel erg gecoacht. Hij zei, toen ik aangenomen was: “Ik wil een dag met jou op pad, en dan gaan we alle locaties bezoeken waar we gaan filmen”. Na die ene dag, zei hij: “Je kracht is volgens mij dat je zoveel wilt en misschien ook al wel kan, maar je zwakte is je grote gevoel voor rechtvaardigheid”. Daar begreep ik niks van. Ik dacht: “Maar ik ben helemaal niet uit op rechtvaardigheid”. Ik wilde gewoon een beroemde toneelspeler worden. Dat hij dat eruit haalde, dat vond ik heel bizar. Als ik nu kijk naar wat ik doe, dan ben ik toch heel erg op zoek naar rechtvaardigheid.

Vertrouwen
Bij het RO Theater was ik vanaf 1978 elf jaar in vaste dienst als acteur en speelde drie à vier rollen per jaar van klein naar groot. Honderden voorstellingen per jaar. Daar ben ik gevormd als acteur door regisseur Frans Marijnen. Hij is mijn grote leraar in discipline. Hij bracht in het Nederlands theater vooral bewerkingen in, zoals Shakespeare met aangepaste teksten. Het visuele was daarbij heel bepalend. Ik ben een volgeling van Frans Marijnen. Nou, dat klinkt iets te… Hij noemde me altijd Paultje, maar van hem kon ik het hebben. Hij had een groot ensemble, met daarin zeven acteurs waar hij op bouwde. Ik hoorde bij zijn vaste kern. Van hem heb ik geleerd dat je alles moet geven als speler, en niet moet vragen: Waarom moet ik dat doen?” “Je moet me vertrouwen”, zei hij dan: “Doe het nou maar gewoon”. En dat zeg ik ook weleens tegen de spelers: “Doe het nou gewoon”. “Ja, maar waarom? Wat bedoel je daar dan mee?” En dan zeg ik wel eens, en dat heb ik van Frans: “Ja, ik vind het gewoon mooi, doe het maar”.

Omarmen
Wat wij bij het RCTH heel bewust proberen, is om de ander te omarmen. De maakbare wereld wordt steeds sterker. Alles wat daarin afwijkt, willen we eigenlijk niet zien. Of je nou ziek bent of gehandicapt of gestoord of ziek of misvormd of homoseksueel of dat je een andere kleur hebt, willen we niet weten. Daarom heb ik mijn eerste voorstelling gemaakt over homoseksualiteit: De Anderen. Ik wilde het daarin opnemen voor mezelf, maar ook voor anderen. Het was mijn eerste regie hier en meteen met veel succes. Twee jaar geleden heb ik de voorstelling Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen gemaakt met oude homoseksuele mannen en vrouwen als uitgangspunt. Zij spelen zelf in de voorstelling. Daar kwamen zoveel mensen op af. We hebben zelfs buiten Rotterdam gespeeld, en we gaan er waarschijnlijk mee naar het buitenland. Ja, ik wil dat onze wereld verdraagzamer is. Met weinig middelen kun je het leven aangenamer maken. Kijk om je heen hoe je hier binnenkomt met plannen en beelden. Bij de bezuinigingen is het RCTH positief beoordeeld. Voor de projecten die we maken, kregen we veel waardering,“over de moeilijkste onderwerpen, waar anderen het niet over durven te hebben”, zo staat het er. En dat gaat nooit ten koste van artistieke kwaliteit.

Kiezen
In 1990 ben ik hier gaan wonen; ik voel me echt Rotterdammer. Ik ben verliefd op Rotterdam. Ik vind hier alles wat goed en slecht is. Het is een stad van grote tegenstellingen. We hebben in de politiek toch de grootste tegenstellingen gehad die je maar kan bedenken. De verkiezingen zullen uitwijzen hoe dit zich verder gaat ontwikkelen. Dus met kloppend hart wacht ik dat af. Alles is hier. Al die culturen. Zwartere scholen dan hier kun je je niet bedenken. Ik vind het geweldig om hier als kunstenaar te wonen en te reflecteren. In mijn werk gebruik ik dat. Ik hoef hier nooit na te denken waar ik het over moet hebben. Er is te weinig geld voor kunst en cultuur, maar men heeft in Rotterdam wel keuzes gemaakt. Daar ben ik blij mee. Ze hadden ook de kaasschaaf kunnen hanteren en dan hadden we meer instellingen gehad, maar met minder geld. Terwijl ik al jaren daarvoor dacht: “Je moet mensen de middelen geven om echt te laten zien wat ze willen, en waar ze voor staan”. En natuurlijk mis ik partijen die er nu niet meer zijn. Ik mis Bonheur in de theaterwereld, het literaire gehalte bijvoorbeeld. Want Peter Sonneveld, die voegde aan ons theater de liefde voor het boek, de liefde voor taal toe. Voor verhalen. Bij Peter Sonneveld heb ik verschillende keren gespeeld; hij is de beste bewerker van Nederland. Ik mis ook het O.T. met hun zoektocht en experiment, en opera. Maar er is minder geld. Punt.

Cultuurhuis Delfshaven
Wij bieden mensen die hier wonen een plek, want wij hebben in dit deel van Delfshaven niet één park. Er zijn buurthuizen gesloten, bibliotheken zijn weg. Er is zoveel minder voor de jeugd en hier wonen ontzettend veel kinderen. Er zijn in deze wijk dertig basisscholen en zes VO scholen. Wij bieden plek aan iedereen die culturele activiteit wil ontwikkelen met jongeren en kinderen. En wij geven zelf zang- en danslessen. We hebben wedstrijden Do you think you can sing, Do you think you can act, you can dance. Op zaterdagen komen hier honderden mensen uit de wijk, dat loopt heel erg goed. Wij noemen het cultuurhuis en het geeft de ontwikkeling van het RCTH een enorme positieve impuls. Daarnaast ga ik naar vergaderingen van een wijkcomité, een woningbouwvereniging en zit ik in de winkeliersvereniging van de Grote Visserijstraat. Al die vergaderingen zijn hier. Het sluit aan bij mijn visie dat kunst een onderdeel van de samenleving moet zijn. Ik ben het directeurtje van één van de vele winkels; hier wordt theater verkocht.

Wereldverbeteraar
In de kern blijf ik acteur, want ik denk als een speler. Ik regisseer als een speler. En als ik mijn psychiatrische medespelers dingen vraag te doen dan snap ik heel goed wat er moeilijk aan is en waar de valkuil zit. Of waar de ijdelheid zit. Eén mens kan de wereld niet veranderen. Ik wil graag voor tachtig mensen spelen. Mateloos, hebben we straks vijftig keer gespeeld, zodat er meer dan vierduizend mensen over praten. De komende jaren wil ik graag werken aan producties voor mensen met- en zonder beperkingen, om daarmee een bijdrage te leveren aan de veranderende zorgsector. Ik wil een brug bouwen tussen de kunst- en de zorgwereld, want we kunnen zoveel van elkaar leren! Kijk, uiteindelijk ben ik een wereldverbeteraar. —DM

 

Paul Röttger:
Geboren: 1954, Winterswijk
Opleiding: Toneelschool Arnhem, 1972–1976

1978–1990: RO Theater in het ensemble1990–1992: hoofd vrije producties bij John van der Rest1988–heden: directeur Rotterdams Centrum voor Theater (RCTH)2001–2005: lid van de Raad van Cultuur

Speelde in 1975 de hoofdrol als de vijftienjarige Michiel in de Vara-serie Oorlogswinter naar het gelijknamige boek van Jan Terlouw.

Speelde onder regie van Franz Marijnen bij het Ro Theater in een groot aantal stukken van Shakespeare en later in vrije producties als Amedeus en De Wijze kater.

Ontving in 2004 de Erasmusspeld van de Gemeente Rotterdam en in 2009 de oorkonde Jos Brink-prijs uit handen van toenmalig minister Plasterk voor het bespreekbaar maken van homoseksualiteit met scholieren.

Misschien vind je dit ook leuk