Interview

Arie van Geest

Een interview met Arie van Geest, beeldend kunstenaar. Over de spanning tussen het paradijselijke en het gruwelijke in het werk van Arie van Geest.
Door
Hugo Bongers
Een gesprek met de Rotterdamse beeldend kunstenaar Arie van Geest gaat onherroepelijk over literatuur, muziek, beeldend kunst, de werken die hem hebben beïnvloed. Praten met Van Geest is een stimulerende trip door de kunstgeschiedenis. Als oud-docent van de Rotterdamse kunstacademie, waar hij zelf is opgeleid, als aandachtig beschouwer van kunst in Rotterdam gedurende vele decennia heeft hij ook een mening over de stad. Ik praat met Arie van Geest over zijn werk, zijn inspiratiebronnen en zijn academietijd, als student en als docent.

Als ik zijn atelier binnenkom ligt de vuistdikke biografie Pasolini- Requiem over de dichter/filmmaker Pier Paolo Pasolini op zijn werktafel.” Die ben ik aan het herlezen” zegt Arie van Geest. “Wat een indrukwekkend, intens leven heeft die man geleid.” Dat deze regisseur hem interesseert verbaast me niet; al in de voorbereiding op ons gesprek stuurde hij me enkele teksten toe, waaronder een citaat van Rudi Fuchs over Pasolini in een essay getiteld Man van Smarten: “Een cultuur is echter een fantastisch verwilderde tuin met duizend geuren en kleuren: en ook is cultuur een mestvaalt waar het broeit en heel warm is. Kunst wijst ons de weg.” Deze karakteristiek van cultuur die staat voor de leefwereld van Pasolini neemt Arie van Geest graag over. De beeldend kunstenaar Van Geest heeft een brede interesse: film, poëzie maar vooral literatuur en muziek en dat diende zich al vroeg in zijn leven aan. Op vierjarige leeftijd ontdekte hij het universum van de vertelling en het verhaal via de stripversie in zwart en wit van Don Quichot.

Op dit moment verheugt hij zich nog het meest op de hernieuwde kennismaking met de Amerikaanse auteur Paul Auster die op het moment van ons eerste gesprek nog een conversatie moet gaan voeren in de Arminius-kerk met Ernest van der Kwast. “Het boek van Auster The Invention of Solitude uit 1985 waarin het kernthema is het bouwen van een eigen wereld in je hoofd, het kiezen voor de beslotenheid die je zelf bepaalt, dat verbeeldt voor mij de positie van de kunstenaar die in het atelier zijn eigen werkelijkheid gestalte geeft. Het boek is gebaseerd op twee centrale thema’s. Allereerst het gevecht met de vader en dat breng ik sterk in verband met mijn eigen jeugd. Ik realiseerde me al vroeg dat de werkelijkheid waarin ik opgroeide voor mij niet voldoende was en ging vervolgens intuïtief op zoek naar de wereld van de verbeelding. In de tweede plaats het thema van de zelf gekozen, besloten plek. Die plek vormt een andere wereld, aan de andere kant van de spiegel, in een ander poëtisch domein waarin de zachte waanzin de lakens uitdeelt. In het boek van Auster staat een beschrijving van het schilderij De slaapkamer dat Van Gogh in Arles schilderde, die kamer met het gele bed en de gesloten luiken. In dit schilderij verbeeldde Van Gogh niet zo maar de eenzaamheid, the room is the substance of solitude itself, schrijft Auster. Vervolgens verbindt hij de beslotenheid van die kamer met het Bijbelse verhaal van Jonah die overleeft in de buik van een walvis en daarna met de geschiedenis van de houten pop Pinocchio die na een lange zoektocht zijn verwekker Gepetto terugvindt in de buik van een haai. Alles is met alles verbonden en telkens gaat het om het isolement in een zelfbepaalde ruimte. Dat is een van de centrale thema’s van mijn werk; niet voor niets komt Pinocchio al decennia voor op mijn schilderijen, hij is immers de vertegenwoordiger van de leugen, van het illusoire.”

Boeken hebben zijn werk vanaf het begin sterk beïnvloed. Een geestelijke aardverschuiving was voor Arie van Geest de kennismaking met De zangen van Maldoror van Comte de Lautréamont uit 1869, de eerste literaire, surrealistische zoektocht, een narratief labyrint vol paradoxen, dat lijkt te zijn ontsnapt uit de specifieke duisternis van de droom. ”Het werd voor mij de entree naar het terra incognita dat ik wilde verbeelden via de schilderkunst. Het sprookjesachtige en tegelijkertijd gruwelijke fragment dat ik er in aantrof over de drie Marguerites, drie zusjes die zelfmoord plegen in het hondenhok nadat hun vader in dronkenschap hun kanarie had gedood met een houtschaaf werd het vertrekpunt. In het najaar van 1972 schilderde ik De drie Marguerites en won daar enige tijd later voor de eerste keer de Koninklijke Subsidie mee. Kortom, de toon was gezet.”

Arie van Geest heeft  een aantal boeken over schilderkunst voor me klaar liggen om zijn inspiratiebronnen aan te geven. Hij begint met de uitspraak dat hij een verschil maakt tussen reuzen en tovenaars. “Reuzen zijn voor mij:  Rembrandt, Vermeer, Velázquez, Van Gogh, Munch, Picasso,  Matisse en Beckmann, die bevinden zich op een onbereikbare hoogte. De tovenaars eigenlijk ook, maar zij hebben mij op verschillende manieren wel geïnspireerd. Ik denk aan Frida Kahlo, Julio Galán, Henri Rousseau, Balthus, René Magritte. Van de schilder Ron Kitaj bewondert hij met name het magistrale meesterwerk uit 1975-76 If not, not, zijn picturale antwoord op het gedicht The Waste Land van T.S. Eliot.” 

Hij is enthousiast over de tentoonstelling Gek van surrealisme die momenteel in Museum Boijmans van Beuningen is te zien en refereert aan de legendarische aankoop halverwege de jaren ‘70  van een aantal surrealistische schilderijen uit de collectie van Edward James. Dankzij een initiatief van de tandem Renilde Hammacher, toen hoofdconservator moderne kunst in het museum, en cultuurwethouder Jan Riezenkamp heeft Museum Boijmans van Beuningen sindsdien van die belangrijke stroming een aanzienlijke hoeveelheid topstukken in huis. Een ander hoogtepunt op het gebied van tentoonstellingen noemt hij de door museumdirecteur Wim Beeren georganiseerde tentoonstelling  Malcolm Morley, Schilderijen 1965 -1982 in Boijmans, de solotentoonstelling in 1990 van de veel te jong overleden Mexicaanse schilder Julio Galán in Witte de With, de tentoonstelling  Nobson van Paul Noble in 2014 in Boijmans en The Museum of Everything, een overzicht van niet-academische kunstenaars uit de negentiende, twintigste en eenentwintigste eeuw in de Kunsthal in 2016. Ook de vijf-uur-durende opera Einstein on the Beach van theatermaker Bob Wilson in de Rotterdamse Schouwburg in 1976 was een ervaring die diepe indruk op hem maakte. Het ene decor gleed tergend langzaam in het andere over, het was een monumentale feuilleton, invloedrijk voor een kunstenaar als Van Geest die bij voorkeur in series werkt. Rotterdam is een stad die hem altijd voldoende inspiratiebronnen heeft kunnen bieden.

Docentschap

Wie in Rotterdam rondloopt en goed rondkijkt komt tientallen kunstenaars tegen die Van Geest als docent hebben gehad. “Verreweg het grootste gedeelte van de negenentwintig jaar die ik als docent verbonden ben geweest aan de Academie van Beeldende Kunsten, nu de Willem de Kooning Academie, heb ik als zeer plezierig ervaren. De laatste paar jaar veranderde dat echter aanzienlijk, mede door de bureaucratie en interventies die vanuit de directie naar de werkvloer werden gemanoeuvreerd. Lesgeven in het kunstvakonderwijs is een intense bezigheid, je moet opereren vanuit de persoonlijke strategie van de student, de gesprekken zijn bijna altijd één op één. Een zekere psychologische bagage om de student zijn of haar vertrekpunt te leren ontdekken is een voorwaarde. De vier pijlers waarop het geheel is gebaseerd zijn: talent, intuïtie, zelfvertrouwen en vooral mentaliteit. De academie was lange tijd een wat anarchistisch ingesteld bolwerk met het begrip vrijheid hoog in het vaandel en dat ging duidelijk verschuiven toen zij eenmaal onderdeel was geworden van de Hogeschool Rotterdam. Als een cruciaal moment van verandering heb ik de top-down interventie ervaren toen er een juriste van de Hogeschool aanschoof tijdens de voorbereidingen van de ontmoeting van de visitatiecommissie van het Ministerie van Onderwijs. Zij wilde invloed uitoefenen op het lesaanbod. De knowhow en de autonomie van waaruit de docenten al jarenlang op zeer zorgvuldige wijze hadden geopereerd werden door dit initiatief duidelijk ter discussie gesteld. Het team van docenten van de toenmalige afdeling autonoom hield ondanks deze inmenging voet bij stuk en weigerde de aanpassingen. De uiteindelijke beoordeling van de commissie viel vervolgens zeer positief uit, maar de toon van wantrouwen was gezet. Schilderkunst is nu eenmaal geen wiskunde maar door dit soort bemoeienissen veranderde het klimaat van de afdeling aanzienlijk. In 2005 ben ik, zoals dat heet, in goed overleg vertrokken en heb me vervolgens ondergedompeld in de verstilde vrijheid van het atelier. Op de homepage van de website van de academie was onlangs een ‘verweerschrift’ geplaatst tegen eventuele toekomstige bezuinigingen op het kunstvakonderwijs onder de kop: ‘Kunstenaars en ontwerpers leveren onmisbare bijdragen aan maatschappelijke uitingen.’ Vier speerpunten die de maatschappelijke relevantie van dit instituut moesten aantonen werden uit de hoge hoed getoverd, een instelling die zich nota bene nog steeds afficheert met de naam Willem de Kooning. Het ontwerpen van spelletjes die obesitas onder de jeugd van de wijk Beverwaard moeten terugdringen blijkt een issue te zijn geworden, de creatieve pijlen worden tegenwoordig gericht op de MediaMarkt, op Donner, op de Bijenkorf etc… In dit verweerschrift schitterde het begrip autonomie door afwezigheid.”

Pierre Janssen

In 1965, hetzelfde jaar waarin Pierre Janssen aantrad als directeur begon Van Geest met zijn studie aan de Rotterdamse Academie. “Pierre haalde direct de bezem door het wat ingekakte instituut door jonge kunstenaars aan te trekken als docent zoals Kees Franse, Klaas Gubbels en Krijn Giezen. Hij stond voor het wat pathetisch klinkende ‘zoeken in de krochten van je ziel’ maar hij had in essentie gelijk: kunst is een ontdekkingsreis. Als presentator van het televisieprogramma Kunstgrepen was hij een opvallende tv-persoonlijkheid, daarnaast had hij ook duidelijk zijn stempel gedrukt op het vormen van de Cobracollectie van het Stedelijk Museum in Schiedam waar hij voor de academie de leiding had. Als directeur vertoonde hij regelmatig paternalistische trekjes en de oudere docenten konden zijn bloed wel drinken. Hij introduceerde het Studium Generale. Ik herinner me een filosoof die langs kwam met een lezing over de dwerg met de ijzeren oogleden die dermate zwaar waren dat hij ze onmogelijk kon openen, waardoor hij gedoemd was om een leven lang naar binnen te kijken, een beeld dat me altijd is bij gebleven.

Toen ik later zelf als docent begon, werd ik onderdeel van een stimulerende, wat anarchistisch opererende vrijstaat die gevoed werd door een grote diversiteit aan docenten. De rigide structuur van vijftien jaar eerder was verdwenen. De jaren zeventig waren de jaren van de punkbeweging, de studenten kwamen uit een andere cultuur. Een periode die uit zijn voegen barstte door de energie die vrij kwam onder de leiding van de integere en zeer bescheiden Klaas de Jong. Hij werd opgevolgd door Hein van Haaren, een flexibele persoonlijkheid, afkomstig van de Dienst Esthetische Vormgeving van de PTT, die heel goed begreep dat autonome kunst in wezen het hart was van het kunstonderwijs. Hij was een man met allure, met een flexibele geest die de verbeelding serieus nam en die opereerde vanuit een innerlijke beschaving met een uitstekend gevoel voor humor.”

Agrarisch

“Mijn vader was fruitkweker in het Westland, mijn familie heeft een agrarische achtergrond, alles stond in het teken van het bedrijf, het ondernemerschap. Ik was een buitenbeentje die zichzelf op vierjarige leeftijd leerde lezen. Mijn eerste kennismaking met literatuur was die met het feuilleton Don Quichot in het dagblad De Rotterdammer. In 1952 maakte ik kennis met de wereld van Disney, op de radio volgde ik de hoorspelen: David Copperfield, Paul Vlaanderen en de muziek van Radio Luxemburg. Ik las de sprookjes van Grimm en Alleen op de wereld van Hector Malot, de boeken van Jules Verne. Tijdens vakanties bij familie in Amstelveen kwam ik in contact met de Winkler Prins Encyclopedie waar ik weken achtereen in heb rondgedoold. Alice in Wonderland, bij uitstek het boek van de taal en van het beeld, had een enorme impact op mij. Je dringt geleidelijk door in een labyrint van de verbeelding met ongekende mogelijkheden. Alle logica van de werkelijkheid is verdwenen. Alice valt in een konijnenhol en vervolgens begint zij een ontdekkingsreis in een parallel universum. Het is een droom die als het ware de werkelijkheid in glijdt. Dat werd jaren later het hoofdthema van mijn schilderkunstige verkenningen.

In eerste instantie wilde ik sportjournalist worden, maar het feit dat ik goed kon tekenen deed me in 1965 puur op gevoel besluiten om me aan te melden bij de academie. De eerste twee jaren waren een teleurstelling. Maar in het derde jaar, in de schilderklas van Klaas Gubbels, ontdekte ik dat je via het schilderen een eigen territorium kon verbeelden. Klaas liet mij vanaf de eerste dag mijn gang gaan. “Jij moet niet schilderen wat je ziet, maar wat je denkt” en “Schilderen is een zachte vorm van schizofrenie” waren opmerkingen waar ik het mee moest doen en dat was voldoende. Ik heb vanaf dat moment alles met een ongekende gulzigheid verkend: tentoonstellingen, films, de literatuur maar vooral de muziek. In 1966  verscheen de legendarische, narratieve dubbel-LP Blonde on Blonde van Bob Dylan met o.a. het bedwelmende Visions of Johanna, een lied over ‘gestrand zijn’. Dat was een eyeopener met verstrekkende gevolgen voor het karakter van de schilderijen die ik in die dagen begon maken. Blonde on Blonde is een verhalende, vertellende plaat, een geheimzinnig surrealistisch werk. Dylan gaf me in taal de beelden die ik in m’n hoofd had zitten.

 Toen ik in 1970 eindexamen deed realiseerde ik me dat ik onder invloed van de vrijheid die ik gedurende die periode had leren begrijpen een totaal ander mens was geworden. Met twee prijzen op zak, de Maaskantprijs (1969) en de Drempelprijs (1970), heb ik zes weken in New York doorgebracht waar ik een tsunami van kunsthistorische impressies op me in heb laten werken. Weer terug in Nederland wilde ik geen gebruik maken van de Beeldende Kunstenaars Regeling dus om te overleven ging ik in de avonduren post sorteren bij de PTT. Ik had mijzelf vijf jaar gegeven om te kijken of ik daadwerkelijk iets zou kunnen bereiken met mijn schilderijen. Lang heeft dat niet geduurd. In 1973 maakte ik kennis met Hans Sonnenberg van Galerie Delta, een cruciaal moment. Hij werd vanaf dat moment mijn vaste galeriehouder en begon mijn werk te verkopen. Tussen 1973 en 2016 heb vijfentwintig keer een solotentoonstelling bij hem gehad. Een combinatie die langer dan veertig jaar heeft geduurd, een unieke situatie in mijn tijdspad als beeldend kunstenaar. In 1976 begon mijn docentschap aan de academie.”

“Rotterdam was in de jaren zeventig en tachtig een goede stad voor de beeldende kunst. Er waren in die periode drie heren die een belangrijke, initiërende rol speelden in het culturele leven: Adriaan van der Staay als directeur van de Rotterdamse Kunststichting, hij is de godfather van Poetry International en Film International. Gosse Oosterhof die binnen de Kunststichting Galerie ’t Venster leidde (eerst in Delfshaven en later op de Oude Binnenweg). Hij introduceerde kunstenaars als Kiefer, Koons, Haring, Paladino, Salvo in Rotterdam. De derde was Felix Valk, die was hoofd van de afdeling Tentoonstellingen van de Kunststichting en verantwoordelijk voor het programma van het Lijnbaancentrum, een tentoonstellingsruimte boven de winkels in de Lijnbaan naast Ter Meulen. In zekere zin is het Lijnbaancentrum een voorloper geweest van de programmering die nu in de Kunsthal plaatsvindt. Felix Valk heeft in het Lijnbaancentrum laten zien hoe je high art en low culture kunt mengen. Alma-Tadema naast Kuifje. De tentoonstelling die hij in 1978 maakte van het werk van Paul Thek: Jack’s Prossesion: What’s Going on There? staat nog steeds op mijn netvlies gebrand. Paul Thek was een dramatisch mens en wat hij liet zien was een soort esthetische wanhoop, hij maakte kunst zonder concessies te doen, zonder te pleasen.

Ontzamelen

De afgelopen jaren hebben er in Rotterdam op het gebied van de beeldende kunst een aantal ingrijpende veranderingen plaatsgevonden. De verschillende locaties die er vanaf de jaren zestig zijn geweest, met name om het werk van jonge kunstenaars te presenteren, zijn verdwenen of  wegbezuinigd. De meeste kunstenaars opereren nu vanuit de anonimiteit en zijn derhalve te weinig zichtbaar. Het Centrum Beeldende Kunst dat gedurende een lange periode de lokale kunst op meerdere levels een kans kon geven is vertrokken van de ruime behuizing aan de Nieuwe Binnenweg. Er is gesnoeid in het budget van de stadscollectie van Boijmans. Siebe Thissen van de afdeling Beeldende Kunst in de Openbare Ruimte is op zoek naar adoptieouders voor zijn ‘weesbeelden’, beelden die geen eigen plek meer hebben en tussen wal en schip dreigen te raken. Het begrip ‘ontzamelen’, voor het eerst opgedoken ergens in de jaren negentig, is een door de gemeenteraad van Rotterdam goedgekeurd fenomeen geworden, waar recent op rigoureuze wijze gebruik van werd gemaakt. Kunstwerken die jaren terug werden aangekocht voor de collectie van de Rotterdamse Kunststichting worden nu voor dumpprijzen verkwanseld. Om het voortbestaan van het Wereldmuseum te redden, waar het fenomeen ‘ontzamelen’ ook al was doorgedrongen, moest collega Olphaert den Otter de trom gaan roeren, de omgekeerde wereld natuurlijk. In de documentaire Conducting Boijmans van Sonia Herman Dolz beweert Sjarel Ex dat hij in zijn functie als directeur van Museum Boijmans Van Beuningen een tijdelijke trait-d’union is tussen het verleden en de toekomst. Met deze constatering slaat hij de spijker op de kop. Bestuurders die komen en gaan hanteren maar al te vaak de perverse top-down strategie. Je ziet het overal gebeuren, bij de zorg, bij de politie. Ik permitteer me het luxueuze, romantische standpunt dat ik met mijn schilderijen buiten de wet om opereer, maar wel met een open vizier op de werkelijkheid. Een kloosterachtig leven is de voorwaarde om mijn verbeelding vorm te kunnen geven. Kunst moet mijns inziens buiten de politiek blijven, zelfs als het over diezelfde politiek gaat. Max Beckmann heeft dat op een indrukwekkende manier bewezen tijdens het Interbellum en de jaren ‘40-‘45 toen hij in ballingschap aan het Amsterdamse Rokin 85 woonde en de waanzin van het Hitlerregime uit zijn penselen toverde.

The Broken Promised Land

Vanaf de jaren zeventig ontstonden er regelmatig series in mijn oeuvre. Tableau Mourant, 1984, achtennegentig aquarellen die in 1987 werden aangekocht door het Rijksmuseum Vincent van Gogh, Desolation Row, 1999, Alice (high, low and in between), 2009-2011. Eind 2010 werd ik geconfronteerd met serieuze gezondheidsproblemen, na operatief ingrijpen kreeg ik vervolgens te maken met een langdurige vermoeidheid die resulteerde in een sabbatical van bijna een jaar. Vanaf het terras voor mijn Franse atelierwoning bekeek ik in die dagen regelmatig wat melancholisch de tuin: De prille lente, de vogels, het compacte groen dat zich aandient in de zomer maar bovenal het voortdurend veranderende licht. Schilderen was even niet aan de orde. Een jaar later toen de vermoeidheid wat getemperd was, maakte ik met The sleeping giant het eerste schilderij waarop de tuin te zien was. De zomer daarna gingen alle remmen los en begon de inventarisatie van de imaginaire wezens uit mijn privé-wonderland: Ganesha, Hanuman, geketende makaken, Auschwitz, mijn geliefde Berneja, mijn kleindochter Moana, Anubis, Bambi, Pinocchio, een ernstig gehandicapte Dopey en uiteraard de onvermijdelijke Alice. Enkele vierkante meters vegetatie ergens aan de oever van de rivier de Vienne bleken voldoende te zijn om de paradoxale serie The Broken Promised Land waarin ‘alles lijkt op wat het is’ uit te gaan werken. Dat paradoxale zit in de spanning tussen enerzijds het paradijselijke karakter van de tuin, terwijl er anderzijds dingen niet lijken te kloppen. Het Paradijs is aangetast, de tuin is beloftevol maar ook bedreigend. Over die spanning gaat volgens mij ook het werk van Paul Thek en zeker ook het gruwelijke universum van Lewis Carroll in zijn Alice-boeken. Met de serie The Broken Promised Land gaat het goed, ondertussen zijn er meer dan vijftig doeken voltooid. Het specifieke zomerlicht dat in belangrijke mate het karakter van de tuin bepaalt, is de verbindende factor tussen de schilderijen onderling. Het feuilleton Don Quichot ligt dan wel vijfenzestig jaar achter me, maar vijfenhalf jaar geleden diende er zich een nieuwe beeldenreeks aan, deze keer in kleur en ook bepaal ik deze keer zelf de inhoud. ” - HB

 

Misschien vind je dit ook leuk