Interview

Observatorium

Observatorium maakt beeldende architectuur en vertelt daarmee iets over de in verandering zijnde omgeving. Het werk nodigt altijd uit om in gebruik genomen te worden door het publiek.
Door
Arnold Westerhout & Hugo Bongers
Parallel aan de rumoerige Nieuwe Binnenweg, en de Claes de Vrieselaan kruisend, ligt de Volmarijnstraat. Hier is het rustig. Tegen de achtergrond van de rauwe Binnenweg heeft de straat zelfs iets truttigs. Voor de deuren staan bloempotten met lavendel en geraniums. Bankjes in allerlei kleuren staan voor de gevels, hier en daar afgewisseld door bakfietsen. Op de ramen, vlak langs de stoep waar we overheen lopen, zijn affiches geplakt die het Rotterdamse culturele leven aanprijzen. Halverwege de straat zitten Geert van de Camp, Andre Dekker en Ruud Reutelingsperger aan een picknicktafel over voorspelbare, onbelangrijke dingen als het weer te praten. Maar in plaats van bij hen aan te schuiven lopen wij vrijwel onmiddellijk de trap op, richting een maisonette waar – anders dan je buiten zou vermoeden – zich een atelier bevindt. Aan de muur hangen ontwerptekeningen. Er staan grote, rommelige bureaus bedekt met potloden, bonte koffiemokken, aantekeningen en boeken. Hier huizen dus de kunstenaars van Observatorium. Hun naam is lang niet zo bekend als hun omvangrijke oeuvre, dat te vinden is op tal van plekken in binnen- en buitenland. Hoe is het werk van Observatorium te typeren? Je zou kunnen zeggen dat het zich bevindt op het snijvlak van architectuur en beeldende kunst. Het is uiterst contextueel en daarom plaatsspecifiek. “Iedere plek op aarde heeft wel een verhaal te vertellen. De plekken die wij opzoeken zijn vooral plekken die op de schop worden genomen.“

Wachten

Als je op zoek gaat naar een of meer essentiële kernmerken van jullie werk als collectief dan kom je al gauw uit bij begrippen als wachten of contemplatie, toch? Het woord “wachten” is soms zelfs deel van de titel van jullie werk.

“Inderdaad. De essentie van ons werk, dat wat ons gezamenlijk interesseert, is hoe de wereld om ons heen verandert. Als we kijken naar onze omgeving, of dat nou de stad is of het landschap, dan zien we permanente verandering. We zijn eigenlijk ook het meest geïnteresseerd in plekken in verandering, transformatiegebieden. Wat we in wezen doen is onszelf op zo’n plek neerzetten. We gaan daar dan staan wachten en proberen al wachtend te ontdekken wat we aan die plek kunnen toevoegen. Uit ons eigen wachten ontstaan de ideeën. Het is daarnaast onze eigen nieuwsgierigheid naar het verloop van transformatieprocessen die de ruimte levert voor onze verbeelding. Wij zijn kunstenaars, geen architecten of landschapsarchitecten: wij willen de wereld niet veranderen, wij willen stilstaan bij een plek die buiten ons om al aan het veranderden is en daar willen we onze verbeelding op loslaten. Denk bijvoorbeeld aan ons werk voor de Jan Evertsenplaats, een van de twee groene binnenhoven tussen de Lijnbaanflats in Rotterdam. In opdracht van het programma ZigZagCity [onderdeel van de vijfde Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam in 2012 –AW/HB] ontwierpen we daarvoor een ingreep. We maakten toen met een tijdelijke constructie duidelijk welke mogelijkheden dit groene gebied heeft in het veranderingsproces dat de Lijnbaan ondergaat. Het stelde daarnaast gedachten tentoon over hoe je het centrum van Rotterdam als verblijfsgebied kunt vormgeven.”

Verblijf en tijd

In het werk voor de Jan Evertsenplaats was plek voor de bewoners van de omringende flats en voor passanten van de Lijnbaan. In veel van jullie werk speelt gebruik door mensen een grote rol. Zouden jullie dit zelfs typeren als een onveranderlijk kenmerk van jullie werk?

Jawel, wij zijn geïnteresseerd in ontmoeting, in het gesprek. Maar wij zijn weer géén participatiekunstenaars. We gaan niet vooraf met mensen praten en vragen wat ze zouden willen. We maken ons werk niet op basis van behoeften van anderen die we vooraf inventariseren. Wij ontwerpen op grond van ons eigen onderzoek. Maar in onze kunst speelt het gebruikmaken door het publiek wel een rol. Publiek maakt ons werk af. Wij stellen de bezoekers in staat om er een sociaal gebeuren van te maken, bijvoorbeeld door met elkaar in gesprek te raken. Door het verblijven in ons werk word je er een onderdeel van. Daarom speelt tijd ook een belangrijke rol. Ons werk is nooit alleen maar volume, omdat het ook tijd is. Wij maken ruimten waarin mensen kunnen verblijven, waarin ze zelf ook wachten; op ontmoeting of een gesprek bijvoorbeeld. Om ons werk te kunnen waarnemen, te kunnen ervaren, moet je je er in bewegen, er in blijven ronddwalen. Je zou ook kunnen zeggen dat wij verblijfsruimtes maken voor mensen en dat door dat verblijven tijd een onderdeel wordt van het werk. En zo worden de reacties van de gebruikers ook weer onderdeel van het werk.”

 

 

Tijdsverloop

Maar in het algemeen werkt de tijd niet altijd gunstig voor een kunstwerk. Het slijt door gebruik of het raakt in verval door weersinvloeden. Welke rol speelt tijdsverloop in jullie werk?

“Ons interesseert ook het verval van een werk. Het kan staan te verpieteren en ook dat hoort bij het tijdsaspect van het werk. Maar sommige werken hebben het gewoon in zich om langer te staan. Neem nu ons bekendste werk in Rotterdam, het Observatorium Nieuw Terbregge, een werk waarin we twee werelden, die van de nieuwbouwwijk Terbregge en die van het snelverkeer op de Ruit rondom Rotterdam, met elkaar verbonden hebben. Toen we het werk in opdracht van de projectontwikkelaar van Nieuw Terbregge ontwierpen hadden we nog geen concreet beeld van het verdere gebruik van die plek. Er zat een tentoonstellingsplek in, er kwam een tentoonstelling over energiezuinig bouwen. Een paar jaar later werd er een onverwachte functie aan toegevoegd. Het werk werd de herdenkingsplek voor de voedseldroppings die daar in de buurt aan het eind van de Tweede Wereldoorlog plaatsvonden. Het was de plek waar de hongerende bevolking van Rotterdam naar toe trok om eten te vinden. Zo werd ons werk later verbonden met een historisch belangrijke gebeurtenis en daarmee won het aan betekenis en ook aan tijd. Sommige werken van ons zijn echt zeer tijdelijk bedoeld. Denk aan de constructie op het dak van het voormalige Station Hofplein tijdens Motel Mozaïque in 2007; een uitkijktoren, ontmoetingsplek, podium en slaapplek ineen die er enkele dagen stond. En natuurlijk onze traverse tijdens de Parade in 2008 in het Museumpark: een loopbrug van vijf meter hoog en zeshonderdvijftig meter lang vanaf het Eendrachtsplein het Museumpark in.

Genereuze beeldmakers

in de tijd dat het Ruhrgebied Europese culturele hoofdstad was maakten we ook een werk voor de tentoonstelling Emscherkunst 2010. Het werk was een lange houten brug annex verblijfplek voor passanten. En in zes kamers die onderdeel van het werk waren konden mensen vierentwintig uur logeren. De brug lag op een groene plek in een nogal industriële omgeving. De titel van het werk was Warten auf den Fluss. Het lag feitelijk ook op een eiland dat door ingrepen in het landschap te zijner tijd onder water zou lopen, door een verandering in de loop van de rivier de Emscher. Het werk werd een ontmoetingsplek gedurende de looptijd van de tentoonstelling. Mensen maakten ook echt gebruik van de mogelijkheid om er tijdens de honderddertien dagen van de tentoonstelling een nacht te verblijven. De reacties van de gebruikers verzamelden we achteraf en die reacties werden weer onderdeel van het werk. Na afloop van de manifestatie ging het werk naar een andere plek in Duitsland en op dit moment ligt het in Dordrecht, bij het Drierivierenpunt. Soms zijn onze werken dus mobiel, kunnen naar een andere plek en krijgen daar weer een andere betekenis. In een werk waar we nu druk mee aan de slag zijn zit veel ruimtelijke dynamiek. In opdracht van regisseur Johan Simons [vanaf volgend jaar superintendant van Theater Rotterdam, de fusie van Rotterdamse Schouwburg, Wunderbaum en RoTheater – AW/HB] werken we aan een beeld dat echt kan reizen, dat daar juist voor bedoeld is. We ontwierpen een ponton waarmee je te voet een havenbekken kunt oversteken. Op de ponton staat een koepelgebouwtje waarin je tijdelijk in het donker zit en naar muziek uit een geluidsinstallatie luistert. Dit werk is vorig jaar in Sydney geweest en in augustus van dit jaar lag het in een binnenhaven van Duisburg als onderdeel van de Ruhr Triënnale waar Simons de artistieke leiding heeft. Volgend jaar gaat de ponton naar Glasgow.

Zoals ons Observatorium Nieuw Terbregge een nieuwe invulling kreeg als herinneringsplek van de voedseldroppings, zo kunnen ook andere werken door gebruikers veranderd worden. In de Duitse stad Moers plaatsten we in 2006 een sculptuur in de vorm van een hoge open staalconstructie die verwees naar het model van de vroegere boerenschuren uit de omgeving. Die open stalen en veranderbare constructie plaatsten we op een heuvel die gevormd was door het afval van de mijnindustrie uit de omgeving. Het werd daardoor een nogal iconisch bouwwerk voor Moers. Het leek wel de Acropolis: een heuvel met een tempel erop. De sculptuur werd een landmark, een logo voor de stad en plek voor recreatief gebruik ineen. Binnen het object is ruimte om er van alles mee te doen. Het is dus te veranderen. Als het dorp het zou willen zou er ook een kerk of iets dergelijks van gemaakt kunnen worden. Wij willen ‘genereuze’ beeldmakers zijn door ruimte te bieden voor toe-eigening van het werk. Voor ons als kunstenaars is het interessant om te zien hoe onze objecten gebruikt worden, hoe ze in een veranderend landschap staan. En verandering is er altijd. Alleen al door het telkens veranderende licht.”

Kan een werk dan nog wel mislukken, kan het vernietigd worden of is iedere verandering eigenlijk wel acceptabel?

“Soms functioneert een werk niet goed. Zo hebben we eens een werk ontworpen voor de Veenkoloniën, Leinewijk, een werk dat als het ware mediteert over de veranderingen in het landschap van Oost-Groningen. Maar het werd niet goed beheerd en er is brand geweest. Het is moeilijk gebleken om de overdracht van een werk aan een beheerder goed te regelen. Maar ook de plek van dit werk ontwikkelde zich niet zoals verwacht. Zo kwam de daar geplande woonwijk er niet en daarmee veranderende er niets meer in de omgeving van het werk. We maakten ook eens een werk voor een jeugdgevangenis in Vught en toen de gevangenispopulatie veranderde, toen de jeugd verdween uit deze inrichting, functioneerde het werk niet meer en werd het verwijderd.”

Het maken van plekken

Het werk van Observatorium is vooral bekend als buitenkunst; als kunstwerken in de openbare ruimte. Zouden jullie ook voor musea kunnen ontwerpen? Met andere woorden: kunnen jullie kunstwerken ook in de white cube van kunstmusea en tentoonstellingsplekken staan? Jullie werk reageert immers op de context, op de omgeving, en die ontbreekt min of meer in de witte zaal van het museum.

“Wij hebben geen voorraad van kant-en-klare kunstwerken, dus als we uitgenodigd worden door een museum kunnen we niet direct een tentoonstelling vullen. Maar we werken ook wel binnen gebouwen. Van een galerieruimte in Berlijn hebben we een woon- en werkplek gemaakt. In Stroom, [Haags Centrum voor Beeldende Kunst – AW/HB] hebben we de tentoonstellingsplek veranderd in een werk- en studieplek; een plek waar ons archief was neergezet en werd bijgehouden. Er moet bij ons altijd wel een verband zijn met de dagelijkse werkelijkheid van een plek, bijvoorbeeld hoe we daar de bezoekers zouden kunnen activeren. Een museum is eigenlijk wel een gekke plek. Die zou ons op zich wel uitdagen te peilen hoe die ruimtes functioneren. Maar we zijn niet uit op grote, mooie museale tentoonstellingen hoor.”

Wat liever dan?

“Tot nu toe zijn wij vaak onderdeel geweest van transformatieprocessen. De laatste tijd zijn we echter ook bezig met projecten waarbij wij zelf de initiator zijn van een verandering. Terwijl de politiek en de economie de werkelijkheid veranderen hopen wij met onze kunst juist invloed te hebben op de daarop vooruitlopende denkbeelden. Zolang de wereld blijft veranderen zullen, en kunnen, wij daarom ook blijven veranderen. En zo kan onze kunst een rol spelen in het maken van plekken.”

Minimalisme

Wij willen graag wat weten over door wie jullie werden beïnvloed. Zo lezen we over jullie interesse voor het werk van de Nederlandse architect en geestelijke Dom Hans van der Laan die veel voor kloosters en kerken ontwierp.

“Het werk van Van der Laan interesseert ons om twee redenen. Het maatsysteem dat hij heeft ontworpen en dat hij overal streng toepaste in zijn ontwerpen voor gebouwen en meubels. Maar ook het kloosterleven waarbinnen hij functioneerde: het besloten gebouw, het ritme van de alledaagse activiteiten daarbinnen, de rituelen, de contemplatie, maar vooral ook het kunstmatige van dat leven. Het kloosterleven is een soort abstractie van het leven zelf. Mede daarom maken de meubels van Dom Hans Van der Laan je bijvoorbeeld bewust van wat zitten eigenlijk is. Om dezelfde reden interesseert ons het werk van de Amerikaanse kunstenaar Donald Judd. Hij ontwierp sculpturen, maar ook meubels met een sculpturale vorm. Strenge minimalistische meubels. Een inspiratiebron is ook het werk The Lightning Field van Walter de Maria in de woestijn van Nieuw Mexico. Daar heeft De Maria 400 palen van roestvast staal neergezet in een groot grid met een tussenruimte van bijna zeventig meter tussen die palen. In dat gebied onweert het veel. Het ritueel van naar die plek toerijden, dat anticiperen op het ritueel van de blikseminslagen in de stalen palen, de vierentwintig uur die je op die plek moet verblijven totdat je weer wordt opgehaald, dat is spannend en contemplatief tegelijk en heeft om die reden veel met ons werk gemeen. Donald Judd heeft ergens op de dorre hoogvlakte van Texas, bij het stadje Marfa vlakbij de Mexicaanse grens, een oude legerbasis gekocht en de bouwwerken daarop veranderd in sculpturen. Strenge, minimalistische gebouwen, die lijken op zijn eigen werk dat hij dan ook in die gebouwen plaatste. Het Marfa van Donald Judd biedt het soort gastvrijheid en generositeit die wij met onze werken willen creëren. Het minimalisme van De Maria geeft mensen daarnaast een plek om te ervaren. Het ervaren van rust, van ruimtelijkheid en het verloop van de tijd, die ervaring van de gebruikers, is voor ons essentieel. In het werk van Dom Hans van der Laan interesseerde het ons ook hoe hij met zijn maatsysteem werkte, hoe hij met tussenruimten omging. Maar ons werk is avontuurlijker dan dat van hem en wij gebruiken meer humor dan Van der Laan. We zijn ook niet zo streng in de leer. Dat is ook omdat we een collectief zijn waardoor we misschien vanzelf meer relativeren. We praten over ons werk vaak als over rearranging materials. We maken ‘bouwkunst’ in de letterlijke betekenis van ‘bouwen in kunst’. De essentie van ons werk is dat we met bouwwerken een plek maken. We vertellen het verhaal van de omgeving met beeldende architectuur om tijd en ruimte voor aandacht te maken. We werken niet vanuit de architectuur zoals Van der Laan, maar we gebruiken als kunstenaars de architectuur, enigszins zoals Judd dat deed.”

De Zandwacht: Een kroon op de Maasvlakte

Heel recent werd een nieuw werk van jullie opgeleverd op de nieuwe Maasvlakte van de Rotterdamse haven. De opdracht daarvoor kwam van het Havenbedrijf Rotterdam en werd meebetaald door de baggerbedrijven die de nieuwe vlakte hebben opgespoten. Wat was de achtergrond van deze opdracht en hoe hebben jullie die in een kunstwerk vertaald?

“We moeten eerst vertellen dat het Havenbedrijf al een tijd werkt met een kunst- en cultuurcommissie die actief is met het geven van opdrachten om de veranderingen van het haventerrein vast te leggen. Uitgangspunt daarbij is om de haven te laten zien aan een groot publiek. Omdat de haven steeds meer naar het westen verschuift, en steeds meer uit het zicht van de meeste mensen verdwijnt, wordt dat steeds belangrijker. We kregen echt de vrije hand van de opdrachtgever en we zochten zelf naar een spannende plek op de Maasvlakte. De plek die we hebben uitgekozen is de plek waar nieuw land, nieuwe natuur en nieuwe bedrijvigheid elkaar ontmoeten. Het idee van ‘landschap maken’ spreekt ons altijd erg aan en we vonden deze plek spannend omdat daar dat alles bij elkaar kwam. Het is precies het duin waar Maasvlakte 1 en Maasvlakte 2 samenkomen. Voor ons gevoel moest op die plek een soort kroon op de Maasvlakte komen. Het werk dat we ontworpen hebben is zowel een potentieel icoon als een verblijfplek op een duin. De bezoeker kan er stil staan, om zich heenkijken en genieten van het uitzicht. Je ziet vanaf die plek vier verschillende landschappen: de Noordzee, de Zuid-Hollandse eilanden, de slufterdijk en het nieuwe land met z’n kranen en havenindustrie. De contrasten tussen die vier uitzichten zijn geweldig. ‘Bouwen met natuur’ is daarnaast een uitgangspunt geweest van het Havenbedrijf voor Maasvlakte 2 en dat principe hebben we overgenomen. Toen we op dat duin stonden waar Maasvlakte 1 en 2 bij elkaar komen, bedachten we dat een mens die stilstaat op een duin na verloop van tijd deel wordt van dat duin. De natuur bouwt zichzelf. Dus bouwden we een object van betonnen elementen die misschien over twintig, dertig jaar wel onder het zand zijn verdwenen en daarmee onderdeel zijn geworden van het duin. Als dat het geval is ontstaat het kunstwerk voor de tweede keer: de eerste keer was het bouwwerk, als verblijfplaats voor mensen; de tweede keer een drager van een nieuw duin. Een programma voor het gebruik hebben we niet, we hebben echt geen idee hoe mensen het werk gaan gebruiken. We weten dat je op deze plek een geweldige natuurervaring hebt, met een interessante flora en fauna waarmee nog van alles gaat gebeuren en dat er een fascinerend uitzicht is naar alle kanten.

Besloten tuin met uitzicht

Een werk als dat op de Maasvlakte is een plek voor contemplatie. Maar misschien is dat begrip ook te zwaar, te veel naar binnen gekeerd. Wij maken plekken waar je naar buiten kijkt, waar je om je heen kijkt. De wereld, de werkelijkheid om je heen is fascinerend genoeg en je moet een plek maken waar je de dynamiek van de veranderingen om je heen kunt zien. Maar we zijn niet specifiek met de stad of met het landschap bezig, het landschap van de Maasvlakte is in zekere zin ook stedelijk. We zijn eerder geïnteresseerd in de spanning tussen natuur en cultuur. We zitten met ons werk ook niet in de wereld van ‘puur natuur’, maar wel van plekken waar dynamiek te zien is, waar menselijk ingrijpen zichtbaar wordt, waar transformaties aan de orde zijn. We hebben geen grote sentimenten over ‘de natuur’. We bepleiten niet het verlaten van de wereld. Maar wat we wel bepleiten is het vertragen en de tijd nemen om goed om je heen te kijken. Je moet ergens op een goede manier kunnen zitten. Van daaraf kun je naar de wereld kijken, alsof het een schilderij is. Je kunt daar je eigen leven onder ogen zien in relatie tot de veranderingen om je heen. ‘Plek’ is het centrale begrip in ons werk. ‘Een omsloten tuin met uitzicht’, dat is eigenlijk wat we altijd maken.”

AW&HB

Misschien vind je dit ook leuk