Interview

Marie Cecile Thijs

Een interview met Marie Cecile Thijs, fotograaf. In Rotterdam-West woont een fotograaf die enige tijd geleden is doorgebroken bij het landelijke en het internationale museumpubliek.
Door
Jeroen Deckers
In Rotterdam-West woont een fotograaf die enige tijd geleden is doorgebroken bij het landelijke en het internationale museumpubliek. Zij heeft bijna zestig exposities op haar naam staan in België, Denemarken, Frankrijk, Ierland, Italië, Nederland en de Verenigde Staten: in Californië, Florida en New York om precies te zijn. Werk van haar is niet alleen aangekocht door particuliere kunstverzamelaars maar is ook opgenomen in de collecties van Museum of Photographic Arts San Diego, Museum Rotterdam en Rijksmuseum Amsterdam. In de media is Marie Cecile Thijs niet onopgemerkt gebleven. Zet haar naam in je browser en er rollen talloze publicaties over je scherm, bijvoorbeeld in het financieele dagblad (fd). Dit artikel is wellicht een nieuwe invalshoek om deze kunstenaar te kunnen plaatsen. De kunstenaar komt zelf uitgebreid aan het woord evenals een curator, een galeriehouder en enkele mensen die door haar geportretteerd zijn.

Portretten en stillevens uit uw oeuvre ademen op het eerste gezicht de sfeer van Hollandse Meesters uit de 17e eeuw. Maar als je wat beter kijkt dan lijkt er heel wat anders aan de hand te zijn. Ik heb u het woord futuristisch horen noemen. Waarom? 

MC Thijs: Mijn werk kan op sommige onderdelen, namelijk de lichtval en een bepaalde statigheid, misschien verwijzen naar onze klassiekers, maar mijn intentie is echt heel anders dan van die generatie schilders. Ik ben bijvoorbeeld helemaal niet bezig met de maatschappelijke statuur van de geportretteerde en al helemaal niet met religieuze of morele verwijzingen die je vaak aantreft in de 17e eeuw. Ik ben wel geïnteresseerd in deconstructie. Ik bedoel daarmee het ontleden van een bepaalde complexiteit die ik aantref bij mijn modellen. Ik ga hier natuurlijk niet benoemen welke. Woorden schieten daarvoor tekort. Zou dat niet het geval zijn dan kan ik beter meteen stoppen met fotografie en beginnen met schrijven. Ik ben altijd bezig met zoeken naar een abstracte uitwerking. Daar richt ik al mijn aandacht op. Ik maak gebruik van details die je surrealistisch kunt noemen. Die zouden onmogelijk kunnen bestaan zonder hoogwaardige technologie. Alleen al om die reden is mijn werk futuristisch.

Frits Gierstberg is curator van Fotomuseum Nederland. Hoe plaatst hij het werk van Marie Cecile Thijs zelf in de context van de fotografie in de laatste twintig, vijfentwintig jaar? Welke kritieken ziet hij verschijnen en wat is haar plek in het discours rond fotografie? Hij geeft het maar meteen toe: “Haar werk ken ik niet echt goed. Ik heb dus geen compleet beeld van haar oeuvre, maar ik heb er wel ideeën bij. Zij is iemand die op eigen kracht een stevige plek verovert in de kunstfotografie. Ik heb haar een paar jaar geleden zien exposeren in Naarden tijdens het Fotofestival en een halfjaar geleden bij De Fundatie in Zwolle. In de traditie van de fotografie is haar plek voor mij vrij helder. Ik zie surrealistisch werk dat speelt met de scherpte van het beeld. Zij schept hyperrealistische beelden die verder gaan dan wat mensen gewoonlijk waarnemen. De lichtval is vaak een beetje onwerkelijk en de lichaamshoudingen zijn uit hun historische context gelicht. Wat dat aangaat moet ik een beetje denken aan Rineke Dijkstra. Die laat in haar reeks strandportretten de modellen een houding aannemen zoals die van de Venus van Botticelli. Marie Cecile Thijs verwijst af en toe naar 17e eeuwse beelden. 

Haar werk, ik heb het al gezegd, zit in het segment van de kunstfotografie. Niet lang geleden dacht het grote publiek dat fotografie onmogelijk kunst kon zijn. Daar is men inmiddels wel van terug gekomen. Het publiek leerde dat de kunstenaar met de camera beelden kon maken die gevoel laten opwellen bij de toeschouwer, net als schilderijen dat kunnen doen. Galeriehouders en museumconservatoren zetten er soms een klassieke schilderijlijst omheen, zodat het publiek ‘anders’ ging aankijken tegen de foto. Tegenwoordig is dat niet meer zo nodig. Ook doordat het publiek steeds beter begrijpt dat de betekenis van kunst niet bepaald wordt door de hoeveelheid tijd en energie die de kunstenaar investeert in het kunstwerk. Ik zeg er maar meteen even bij dat het maken van een foto vaak veel, echt veel meer tijd en energie kost dan het argeloze publiek vermoedt. Maar dat terzijde.

Het Nederlands Fotomuseum focust op de documentaire fotografie. Hier ligt wat ons betreft een waardevolle maatschappelijke opgave. De kernvraag is deze: wat betekent fotografie voor identiteiten en voor het historisch besef in de samenleving? Nu moet je jezelf niet heel veel voorstellen bij het publieke debat over fotografie. Dat debat is er nauwelijks. Onder vakgenoten is er natuurlijk wel een discours, en het werk van Marie Cecile Thijs bevindt zich volgens mij een beetje aan de rand daarvan. Haar werk snijdt zeer zeker het onderwerp van de beeldtraditie aan, maar zonder daar als het ware doorheen te stampen. Veel van haar beelden hebben iets dreigends, iets onheilspellends. Dat maakt haar werk actueel, gezien de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen van dit moment in de Westerse wereld.” 

Tot zover Frits Gierstberg

Als u de noties van Frits Gierstberg al dan niet in ogenschouw neemt, welke plaats vindt u zelf dat u inneemt in het vakgebied? 

MC Thijs: Als ik een beetje afstand neem, dan zie ik mijzelf al een hele poos werk maken in de geënsceneerde fotografie. Dit begon met portretten, maar al snel ontstond mijn werk telkens vanuit de verbeelding, dus vanuit het idee. Mijn kunstzinnige scholing heeft amper een jaar geduurd, namelijk aan de kunstacademie St Joost, richting modevormgeving. Ik zie mijzelf dan ook als een autodidact. Van meet af aan werkte ik intuïtief, nauwelijks aangestuurd door artistieke opvattingen van bijvoorbeeld docenten. Hoe zinvol die ook hadden kunnen zijn voor mijn ontwikkeling; ik heb mij wat dat aangaat ook nergens van hoeven bevrijden. Waar ik blij van word is dat mensen spontaan ‘teruggeven’ dat zij mijn handschrift herkennen. Dat geeft wel aan dat ik dingen doe die echt bij mij passen. 

David Smith is eigenaar van galerie Leslie Smith Amsterdam. Hij begeleidt de introductie van het werk van Marie Cecile Thijs, in het bijzonder bij musea en het geïnteresseerde museumpubliek. Welke perspectieven ziet hij in artistiek en ook in zakelijk opzicht? David Smith: “Artistiek gezien slaat Marie Cecile Thijs een weg in met interessante mogelijkheden. Van oudsher gelden in de fotografie twee afzonderlijke fasen, namelijk de productie en de na-productie. Daarmee doel ik op het onderscheid dat je kunt maken tussen het camerawerk inclusief styling en de bewerking van de opname, nu op het beeldscherm, voorheen in de donkere kamer. Marie Cecile Thijs maakt dat onderscheid radicaal. Ik heb bijvoorbeeld ‘Girl in the Silver Dress’ in de collectie die zij maakte op basis van een zilveren jurk uit de tijd van Anna Paulowna (1795-1865). Dit kledingstuk is afkomstig uit de collectie van de Hermitage Sint-Petersburg en is gemaakt van zilverbrokaat. Zij fotografeerde de jurk in Museum Dordrecht bij de opbouw van de expo ‘Willem II Kunstkoning’. Vervolgens slaagde zij erin om haar foto daarvan op het scherm volkomen vloeiend te combineren met die van een schaars gekleed model dat zij fotografeerde in haar studio. De argeloze toeschouwer komt niet op het idee dat het meisje die jurk nooit gedragen, misschien zelfs niet eens in het echt gezien heeft. Iets vergelijkbaars doet zij met 17e eeuwse kragen uit de collectie van het Rijksmuseum die zij digitaal combineert met meisjes en katten. De perfectie van haar werk is van een fascinerende schoonheid. Bovendien herken je haar surrealistische ‘handschrift’ direct. In de afgelopen jaren heeft zij al laten zien dat zij het vermogen heeft om telkens andere onderwerpen te kiezen die zij in beeld brengt op een manier die typerend voor haar is. Dus als u mij vraagt of ik artistieke perspectieven zie, dan durf ik daar wel iets op in te zetten, ja. Zakelijk gezien vind ik Marie Cecile Thijs een goede aanvulling op mijn galeriecollectie. 

Sinds een jaar of twee richten wij onze aandacht ook op fotografie. Onze galerie toont moderne en hedendaagse kunst, naast Aboriginal Art en impressionistisch werk uit de 19e eeuw. De 19e eeuwse categorie, in het bijzonder de romantische richting daarin, vormde de basis die mijn Amerikaanse vader Leslie Smith legde vanaf 1969. Hij was geïnteresseerd in bijvoorbeeld Koekkoek, Mesdag en Israëls. Ik heb dat repertoire vanaf 1990 uitgebreid met expressief werk van bijvoorbeeld Van Dongen, Miró en Picasso. Zo kwam ik op hedendaagse kunst en tijdens een wereldreis die ik maakte met mijn echtgenote, tien jaar geleden, raakte ik in de ban van Aboriginal Art. Wij zijn internationaal actief; ik woon in Florida. Toen ik vorig jaar tijdens Art Miami werk van Marie Cecile Thijs exposeerde was de curator van Museum of Photographic Arts San Diego direct geïnteresseerd. Dat vind ik wel een veelbelovend signaal. Haar werk lijkt geschikt om de wereld over te gaan.”  

Tot zover David Smith

U was ooit een veelbelovend advocaat met belangstelling voor de rechtelijke macht. Was dat stimulerend om een nieuwe weg in te slaan als fotograaf?

MC Thijs: Als u bedoelt dat mijn werk voor de rechtbank vervelend was om te doen, dan zeg ik nee. Want ik had het daar echt naar mijn zin. Ik heb veel geleerd in de juristerij. Bepaalde manieren van denken en redeneren in dat vak zijn van groot belang bij wat ik zojuist deconstructie noemde. Als jurist moet je vaak dingen uitpluizen en scherp analyseren, anders ga je keihard onderuit in de rechtspraktijk. De schoonheid van een goed opgebouwd juridisch betoog, waarin je rekening houdt met alle mogelijke persoonlijke en maatschappelijke aspecten, is echt prachtig om mee te maken. Daar droeg ik graag aan bij. Die scherpte heb ik net zo intens nodig in mijn atelier. Denk dus maar niet dat ik romantisch een glaasje wijn voor mijzelf inschenk overdag, zoals sommige mensen van kunstenaars menen te weten. Geen sprake van. Ik zet liever een flinke kan water klaar. Het is waar dat mijn overstap naar fotografie tot andere dagelijkse handelingen leidde. Maar mijn intenties werden niet opeens anders, integendeel. Net als in de rechtspraktijk streef ik bij de creatie van een beeld naar schoonheid die ontstaat als je tot het uiterste gaat om lastige kwesties te ontrafelen.

Behalve dat in de advocatuur analytisch vermogen zeer wenselijk, zelfs noodzakelijk is, schuwen beoefenaren van dat vak bepaald niet het conflict. Op welke momenten maakt u als kunstenaar dankbaar gebruik van die grondhouding?

MC Thijs: Volgens mij is het een cliché dat advocaten zo dol zijn op het conflict. Er zijn vele soorten rechtspraktijken. De opleiding rechten in Leiden heb ik ervaren als een tamelijk filosofische studie. Dat neem ik op een bepaalde manier ook mee in mijn kunstpraktijk. Altijd kijken naar een andere benadering dan die je wordt voorgeschoteld. Dat is al tamelijk conceptueel. Vervolgens heb ik in zowel Amsterdam als Rotterdam gewerkt als advocaat. In Amsterdam bijvoorbeeld ervoer ik dat het spel van winnen en verliezen wat meer omarmd werd dan in Rotterdam. Hier in Rotterdam zochten advocaten eerder een snelle zakelijke uitweg. Logisch dat in die praktijk bij een geschil wat vaker een schikking getroffen werd. 

Hoe ziet het proces eruit dat u met uw model doormaakt? Wat moeten wij ons daarbij voorstellen?

MC Thijs: Met levende modellen is de relatie onontkoombaar, zelfs wenselijk. Dit geldt zowel voor dieren als voor mensen. Een goede relatie tussen het model en mij is essentieel voor het beslissende moment. Ik voel een platonische liefde opwellen voor de kat, de vaas, de bankdirecteur. Is die oprechte liefde manifest, dan is alles mogelijk: een totale herschepping van het personage. Begrijp dit goed: juist een vertrouwelijke relatie met het model is nodig om tot de nodige artistieke afstandelijkheid en analyse te komen. De reële persoonlijkheid van mijn model hoeft er dan niet langer toe te doen. Mijn opgave is het scheppen van een totaal nieuw beeld: in mijn atelier, in mijn camera, op mijn beeldscherm, op mijn fotopapier. Zo bezien is de fotografie van het stilleven niet wezenlijk anders dan van het levende model; ik bedoel dus vanaf de fase waarin ik een nieuw beeld creëer. 

Beeldend kunstenaar Klaas Gubbels, bekend vanwege zijn schilderijen, tekeningen en beelden van tafels, stoelen en reusachtige koffiekannen, werd een jaar of vijftien geleden door Marie Cecile Thijs geportretteerd. “Ik weet het nog precies”, aldus Gubbels. “Zij was mij komen opzoeken in mijn atelier in Arnhem. De sfeer was een beetje wonderlijk, want ze liet mij gewoon mijn gang gaan en zij deed precies hetzelfde. Ik zag wel dat zij zich volledig gaf. Bijna blind was ze foto’s aan het maken. Zij leek bezit van mij te willen nemen. Ik voelde mij een jong apie, maar wel in vertrouwde handen. 

Kijk, ik houd van Arnhem waar ik woon. En tegelijkertijd is mijn gevoel voor Rotterdam nooit weggeweest. Ik ben in Rotterdam opgegroeid, ik volgde vanaf mijn 14e aan de ambachtsschool aan de Tamboerstraat in Crooswijk het vak huis- en decoratieschilder. Ik had het geluk daarna te mogen werken op het reclameatelier van de Bijenkorf. Op die plek is mijn fascinatie voor de kunsten pas echt begonnen. Ik ging naar Arnhem omdat mijn tweede vader in die stad woonde. Daar kreeg ik de kans om naar de academie te gaan. Vanaf 1965 doceerde ik zo’n vijfentwintig jaar aan de Academie in Rotterdam, de huidige Willem de Kooningacademie. Kortom, in mijn karakter zit nog altijd iets Rotterdams. 

Dat zie ik bij Marie Cecile Thijs ook een beetje. Ik weet het niet precies. Misschien is het een soort poëtische nuchterheid. Zij was wat dat aangaat net zo doelgericht als ik kan zijn. Er kwamen zwart-wit foto’s uit die sessie van vijftien jaar geleden. Op eentje uit die serie houd ik een schaalmodel vast van een 3D koffiekan. Dit ontwerp heb ik in het blauw uitgewerkt. Een paar jaar later kwam dit beeld in de vijver te staan bij het kantoorgebouw van een verzekeringsreus, ergens in Amstelveen.” 

Ook Emily Ansenk, directeur van Kunsthal Rotterdam, ervoer hoe het is om door Marie Cecile Thijs te worden vastgelegd. Dit keer in haar atelier aan de Drievriendenstraat. “Vrij speciaal vond ik het dat ik naar haar atelier moest fietsen, ergens in januari 2014. Als ‘de museumdirecteur’ een interview geeft, dan wordt de bijbehorende portretfoto meestal in het museum zelf gemaakt, te midden van de kunstcollectie. Nu bekroop mij een beetje het gevoel dat ik meewerkte aan een kunstproductie, ook al wist ik toen nog niet eens dat het de bedoeling was dat ik op de cover van het FD terecht zou komen. Mijn interview in dat magazine was een nogal persoonlijk portret dat Karin Kuijpers schetste over mijn dagelijkse doen en laten. Wij hadden het heel even over onderwerpen die de Kunsthal aangingen. Maar in hoofdzaak ging de journalist in op mijn persoonlijke voorkeur voor hakken, mijn primitieve angst voor muizen, de aandacht die ik geef aan mijn kinderen en mijn wekelijkse prestaties in het zwembad. Prima. 

Toen kwam de foto die gemaakt zou worden in het schoolgebouw aan de Drievriendenstraat. Marie Cecile Thijs kende ik wel; ik had haar al een hele poos gevolgd. Zij liet mij binnen in een opvallend ordelijk atelier. Mijn fotosessie voerde zij uit met een assistent die korte maar duidelijke instructies van haar ontving. Alles was van tevoren tot in de puntjes uitgedokterd. Mij had ze een paar dagen eerder de nodige kledingadviezen gegeven en zij had, zonder dat ik daarvan wist, een paar stoelen uit ons auditorium geleend om verschillende poses mee uit te proberen. Ik herinner mij dat er op een gegeven moment een wind fan stond te blazen. De sfeer was ontspannen en geconcentreerd tegelijk. Ik hoefde mij maar een keer om te kleden, en in een uurtje was het gedaan. Na afloop selecteerde zij in mijn bijzijn de beste foto’s vanaf haar computerscherm. Ook dat proces verliep ordelijk, namelijk door middel van het toekennen van één tot en met vier sterren. Op mij maakt zij de indruk van een kunstenaar die precies weet waar ze mee bezig is; een persoonlijkheid die er niet voor terugdeinst om controle te nemen.”

Tot zover Klaas Gubbels en Emily Ansenk.

U sprak zojuist van hoogwaardige technologie waarmee u een futuristisch element van uw werk aanduidde. Over welke technologie heeft u het?

MC Thijs: Ik ga niet alles verklappen, maar bij sommige van mijn portretten en stillevens speel ik met de zwaartekracht en met de factor tijd. Kijk goed naar wat op mijn foto’s te zien is en probeer jezelf een voorstelling te maken van het realiteitsgehalte. Daarnaast pas ik hoogwaardige digitale technieken toe die nadelen wegnemen van het weglaten van bepaalde filters. Ik heb gekozen voor de Hasselblad-camera, onder andere vanwege het ontbreken daarin van het moiréfilter. Dit filter, dat standaard in de meeste fotocamera’s zit, gaat namelijk ten koste van de resolutie: je verliest scherpte. Maar dit betekent dan weer wel dat je op sommige plekken interfererende patronen in het beeld kunt krijgen. Dat is niet mooi. Je ziet dat geworstel van lijntjes weleens op televisie als iemand per ongeluk een streepjesoverhemd draagt. Die rommel moet dan netjes worden opgeruimd. Dit is een heel precies en tijdrovend werkje. Ook met het oog daarop besteed ik veel aandacht aan de voorbereiding van de photo shoot. Welke kleding draagt iemand, hoe valt het haar? Het model krijgt heldere suggesties van tevoren. De styling, de kleuren, de textuur: dit zijn allemaal elementen waarin ik keuzes maak om tot het beslissende moment te komen.

Uw werk gaat steeds vaker de grens over, tot nu toe uitsluitend in de Westerse wereld; waar blijven de Russen en de Chinezen eigenlijk?

Uit Rusland heb ik tot nu toe geen uitnodiging ontvangen om te exposeren, maar wel uit China. Vanaf half november zijn dertig van mijn werken in Shanghai te zien, namelijk op een vestiging van de Italiaanse store and gallery keten 10 Corso Como. Dit is gebeurd op uitnodiging van het Nederlandse consulaat. Zelf was ik nog niet in China geweest. Heel bijzonder dus dat mijn expo in Shanghai de aanleiding werd om dat land voor het eerst te bezoeken. Iemand suggereerde laatst dat ik daar ter plekke portretten en stillevens zou kunnen maken. Dat doen wel meer kunstenaars. Zelf kies ik daar niet zo gauw voor, vooral omdat ik sterk hecht aan mijn eigen atelier waar alles op zijn plek ligt. Bovendien: Chinezen zijn vaak heel reislustig, toch? Misschien komen ze mij wel opzoeken in mijn atelier in Rotterdam. Dat is wellicht gelijk ook goed voor onze stad. - JD

Misschien vind je dit ook leuk