Interview

Fred van der Hilst

Een interview met Fred van der Hilst, sinds 1973 actief als theatermaker in Rotterdam
Door
Erik Beenker & Hugo Bongers
“Het is vreemd om me te realiseren dat de drie grote zaken in Rotterdam waar ik heel m’n ziel en zaligheid in heb gestopt niet meer bestaan: Het Onafhankelijk Toneel, theater de Lantaren en de Floorshow”, zegt Fred van der Hilst. ”Het Onafhankelijk Toneel heb ik mee opgericht in 1972 en in 1973 vestigden we ons in Rotterdam. Dat gezelschap is de nek omgedraaid bij de bezuinigingen een paar jaar geleden en een zwakke cultuurwethouder liet het gewoon gebeuren, ze greep niet in. Het OT heeft weliswaar op eigen kracht een doorstart gemaakt maar is als ongesubsidieerd gezelschap nu heel klein. LantarenVenster op de Wilhelminapier heeft geen theaterprogrammering meer zoals vroeger de Lantaren aan de Gouvernestraat. En een talkshow waarin de actualiteit van het culturele leven in de stad aan de orde wordt gesteld, want dat deden we met de Floorshow, bestaat ook niet meer in Rotterdam. Maar voor de rest gaat het goed met mij, ik doe nog iedere dag de dingen die ik leuk vind om te doen.”

Golden Earring(s)

Het leven van toneelacteur, regisseur, talkshow host, filmspeler, theaterdirecteur en artistieke duizendpoot Fred van der Hilst begon weliswaar in 1946 in Amsterdam, maar het gezin verhuisde snel naar Den Haag en dat was in ieder geval in die tijd een leuke stad om op te groeien. “Ik zat op dezelfde school als Kees van Kooten en Wim de Bie. Ik deed heel veel buitenschoolse dingen, ik heb dan ook acht jaar over de middelbare school gedaan. Ik zat onder andere op het schooltoneel en samen met een paar buurjongens, George Kooymans en Rinus Gerritsen hadden we een bandje, ik was daarvan  de drummer. We repeteerden met de band bij ons thuis in een voorkamertje, voor ons huis was een bushalte en de wachtenden moeten daar veelvuldig op luide popmuziek zijn getrakteerd. Ik had een West End drumstel, gemaakt door een bekende fabriek van drumstellen aan het Westeinde in Den Haag. We traden veel op, van cafés tot en met de Houtrusthallen vol gillende tieners. Het was een leuke tijd met de Golden Earrings, we waren op dat moment een soort coverband van de Shadows. Toen het echt serieus werd stopte ik er mee. Ik was niet zo’n geweldig goede drummer en de andere musici waren echt beter dan ik. Maar ik word als eerste drummer in de geschiedenis van de Golden Earring nog steeds uitgenodigd voor allerlei officiële bijeenkomsten en concerten.

Daar kwam bij, ik was toch vooral met toneel bezig. Mijn ouders hadden een abonnement op de Haagse Comedie en toen ik wat ouder was ging ik mee naar de schouwburg. Peter van der Linden was mijn grote held, een markant acteur bij het Haagse gezelschap de Nieuwe Komedie / Arena waaruit later het gezelschap De Appel is voortgekomen. Ik herinner me nog een voorstelling van Mariken van Nimwegen in een stijl waarvan ik later begreep dat die commedia dell’arte heette. Ik speelde zelf in het schooltoneel klassieke stukken zoals Cyrano de Bergerac en Dürrenmatt. Ik ging veel naar de film, Kriterion op het Westeinde, zag daar onder andere de films van Bergman waar ik geen touw aan vast kon knopen maar die geweldig waren om te zien.

Toneelschool

In 1966 kwam ik dan eindelijk van het gymnasium en toen moest ik kiezen. Ik had voor mezelf drie mogelijkheden op een rijtje staan: de toneelschool, de journalistiek en bij de radio gaan werken. Dat laatste had toen mijn voorkeur, ik had enorm veel zin om bij de radio te gaan. Ik probeerde wel alle drie en werd aangenomen op de Toneelschool. Het was toen al lastig om toegelaten te worden, de selectie was enorm streng. Ik moest eerst bij de directeur op gesprek komen, Willy Pos, en daar was ook zijn opvolger bij, Jan Kassies. Kassies was een vooruitstrevende man, hij had veel invloed op het cultuurbeleid in Nederland, werd later nog Eerste-Kamerlid voor de PvdA. Na het gesprek mocht ik auditie doen en dat deed ik met de voordracht van een gedicht van Vasalis, een monoloog uit de Perzen en met de handwerksliedenscene uit de Midzomernachtsdroom waar ik in m’n eentje alle zes de rollen stond te spelen. Dat zou ik nu niet meer durven… En toen mocht ik door naar het echte examen waarbij ik voor een zaal vol coryfeeën als Ank van der Moer en Ton Lutz moest optreden. 

Ik begon in een klas met veertien studenten en als snel maakten we kleine voorstellingen waarmee we buiten de schoolmuren speelden. Zo trok ik onder andere met Joost Prinsen door het land. Met Jan Joris Lamers heb ik in de vakantieperiode tussen het eerste en het tweede jaar de theaterzaal van de opleiding, het was een ouderwets stoffige zaal, geheel gestript door poten, friezen, voordoek en voetlichten weg te halen; daar hebben we toen een flexibele open theaterruimte van gemaakt. Daar waren we de hele vakantie mee bezig en toen het schooljaar weer begon kregen we daarvoor lof van Jan Kassies, die was echt geporteerd voor onze aanpak. Kassies was een dijk van een man, hij verdedigde ons en onze vernieuwing tegenover meer behoudende docenten. Kassies heeft de Amsterdamse Toneelschool groter gemaakt door die samen te smeden met de vele andere podiumkunstopleidingen in de stad.

De kleur van de plint

Na vier goede jaren studeerden we af en mijn eindexamenklas wilde in ieder geval niet ‘het toneelbestel’ in. In een van onze eindexamenvoorstellingen hadden we al een statement tegen het toenmalige bestel gemaakt. In die tijd kregen afgestudeerden van de Toneelschool in de regel een contract aangeboden bij een van de gezelschappen. Zo werden de vier afstudeerders van mijn jaar als groep uitgenodigd door de Nieuwe Komedie in Den Haag, maar slechts één van ons is daarop ingegaan. Jan Kassies was op dat moment al bezig met het ontwikkelen van ideeën voor een Instituut voor het Onderzoek van het Nederlands Theater, versnelde zijn plannen en bood ons daar onderdak aan. We kregen een eigen ruimte van hem, op de Herenmarkt en daarin gingen we met schrijvers aan de slag om de Nederlandse toneelschrijfcultuur te verbeteren, met Bernlef onder andere en met Judith Herzberg. Wij zaten daar goed in het onderzoeksinstituut. Ik speelde al wel, ik heb zelf nog een jaar bij een van de restanten van ‘Studio’ gezeten, een gezelschap dat door de democratiseringsgolf van eind jaren zestig uit elkaar aan het vallen was. Er was veel gedoe waardoor ik daar zelf nog de productieleiding op me moest nemen.

Inmiddels hadden Jan Joris Lamers, Mirjam Koen, Gerrit Timmers en ik samen met andere afgestudeerden van de Toneelschool en de Gerrit Rietveldacademie het Onafhankelijk Toneel (OT) opgericht. Dat was in 1972 en dat gezelschap bestaat dus nog steeds, zij het in een sterk verkleinde vorm. Het is wel aardig op te merken, dat het OT op dit moment het oudste Nederlandse toneelgezelschap is waarvan nog altijd enkele mensen van het eerste uur deel uitmaken, Mirjam Koen en Gerrit Timmers. We begonnen als een echt collectief, alles moet door ons gezamenlijk in plenair overleg worden beslist, eindeloze vergaderingen hadden we daar. We konden een hele middag discussiëren over de kleur van een plint in onze studio, we moesten net zo lang doorvergaderen totdat er consensus was, dat stond in ons statuut. Er viel in die tijd sowieso veel te discussiëren, de schok van de ‘Actie Tomaat’ van 1969 golfde nog door het land, een actie waarin jonge theatermakers zich verzetten tegen het oude bestel. Er werd in die tijd veel gesproken over de tegenstelling vormgeving versus maatschappelijke relevantie. Ja, ik was er bij toen in de Stadsschouwburg die tomaten werden gegooid richting de acteurs van de Nederlandse Comedie.

Rotterdam wil toneel

We waren als acteurs van het OT allemaal leerlingen van de Theaterschool, Jan Kassies ondersteunde het OT volledig, we kregen van hem om niet een hele verdieping waar we het OT mochten vestigen en daar zetten we onze cirkelzaag neer. Al snel noemde men ons ‘de Timmerclub’ omdat we in die tijd alle decors uit ‘eerlijk’ hout optrokken. We hadden als Onafhankelijk Toneel veel aandacht voor de klassiekers, voor literatuur. Ons eerste grote project ging over de Russische dichter Wladimir Majakowski en dat Majakowski-project viel op in Rotterdam, vooral bij Martin Mooi van de Rotterdamse Kunststichting die toen net met Poetry International begonnen was. Bij een van die eerste voorstellingen van Majakowski zat Adriaan van der Staay, de directeur van de Rotterdamse Kunststichting in de zaal en dat was een van de mannen die kort daarop met anderen zorgde voor een doorbraak van het toneelbestel in Rotterdam. Rotterdam was de eerste stad in Nederland die de conclusie trok dat het meer wilde dan alleen een traditioneel stadsgezelschap. Er werd door de gemeente een advertentie geplaatst: ‘Rotterdam wil toneel’. En wij solliciteerden daarop, voor het onderdeel ‘het zoekende toneel’. We kwamen onze sollicitatie toelichten voor een heel grote commissies die de reacties moest beoordelen, daar zat bijvoorbeeld Saskia Stuiveling in die later voorzitter werd van de Algemene Rekenkamer, Willy Hofman, de directeur van de gemeentelijke theaterdienst DGK en Paul Mentzel, de broer van fotograaf Vincent Mentzel en later de opvolger van Hofman. Wij waren als OT een collectief, we hadden niet één woordvoerder dus we gingen letterlijk met z’n tienen de vergaderkamer in om ons te presenteren. Het lukte, we kregen voor drie jaar geld van de gemeente. En, wat heel belangrijk is, we zijn daarop met z’n allen ook direct in Rotterdam komen wonen. We kregen op de Wijnstraat nummer tien een pand om in te werken en medewerkers van de Kunststichting hielpen ons om een woning te vinden. Ze kwamen we, binnen een jaar na de oprichting van het OT, in 1973 Rotterdam binnen.

We vielen onder de Toneelraad Rotterdam, de officiële koepel van alle clubs die door de selectie waren gekomen. Die begon in 1973 en na drie jaar werd Franz Marijnen aangesteld en werd het RO Theater opgericht. Marijnen was niet alleen artistiek leider en regisseur van het RO Theater, hij werd ook officieel artistiek leider van de gehele Toneelraad. Plotseling kregen we dus iemand boven ons aangesteld. Al direct in het kennismakingsgesprek met ons zei hij: “Gaan jullie je gang maar”. In de praktijk beperkte Marijnen zich tot het onderdeel van de Toneelraad dat het repertoiretoneel in de Rotterdamse Schouwburg moest brengen, het RO Theater; hij zag zelf wel in dat zo’n ambtelijk bedachte structuur niet werkt en nooit zal werken. Wij kregen als coöperatieve vereniging Onafhankelijk Toneel verder alle vrijheid. Volgens mij was de Toneelraad een overbodig instituut, het voegde niets toe maar we hadden er ook geen last van.

Theater de Lantaren

We speelden als OT in Rotterdam in theater de Lantaren in de Gouvernestraat. Daar ontstond door ziekte van de directeur een probleem, de coördinatie ontbrak en alles moest worden opgevangen door de tweede lijn in de organisatie, Theo Hensen en Els Lutgerink. Oorspronkelijke was de Lantaren door Adriaan van der Staay opgezet als een arts lab of art house naar het Londense voorbeeld van het ICA: theater, film, beeldende kunst, werkplaatsen, alles onder één dak. De verschillende beleidsmedewerkers van de Rotterdamse Kunststichting vulden allemaal zelf voor hun eigen discipline de programmering in; er was amateurtoneel, cabaret, allerlei soorten muziek, maar ook het soort toneel dat het OT maakte. De Lantaren had geen eigen gezicht meer. Toen duidelijk werd dat de zieke directeur niet meer terug kwam greep Van der Staay als directeur van de Kunststichting in en vroeg aan Steve Austen, toen directeur van het Shaffy Theater in Amsterdam, om de Lantaren te reorganiseren. En die vroeg weer aan mij om hem daarbij te helpen, precies op het moment dat ik, na acht jaar, had besloten bij het Onafhankelijk Toneel weg te gaan. We hadden als gezelschap net de Albert van Dalsumprijs gewonnen en daardoor kregen we meer aandacht van het stadsbestuur. Die aandacht grepen we aan om de stad het idee voor een theater cadeau te doen. We maakten een gigantisch grote maquette van een mobiel theater voor Rotterdam met de naam Metropool. Helaas is het nooit gerealiseerd.

Na het vertrek van Steve Austen werd ik directeur en samen met Theo en Els vormde ik een driemanschap waarbij we probeerden niet hiërarchisch te opereren. Het is ons gelukt om de Lantaren een eigen gezicht te geven. We stopten met cabaret, met amateurtoneel, de roemruchtige Grafische Werkplaats waar Hard Werken was geboren verhuisde naar het pand Diepeveen in Delfshaven. Alle activiteiten moesten podiumgericht zijn, de werkplaatsen voor theater en film bleven dus wel. Er gebeurde toen heel veel in het Nederlandse en het Vlaamse theater dat gemaakt werd voor de vlakke-vloertheaters als de Lantaren. Die nieuwe ontwikkelingen hebben wij een huis geboden. Houser Orkater deed zowat al z’n premières bij ons, Jan Fabre was al snel bij ons te zien zoals met z’n acht uur durende voorstelling Dit is theater zoals te verwachten en te voorzien was. Het Vlaamse theater kwam bij ons met onder andere Anne Teresa de Keersmaeker, Josse de Pauw, Kaaitheater, Erik de Volder. In het voetspoor van Orkater kwam er een golf muziektheatergezelschappen door de zalen rollen. Er kwam een heel nieuwe vorm van ‘mime’ op, veel meer in de richting van bewegingstheater, denk aan een groep als BEWTH. Theo Hensen begon met de programmering van actuele popmuziek, met groepen die het clubcircuit waren ontgroeid. We organiseerden festivals zoals het performancefestival Perfo waarvan we vier edities hebben georganiseerd. We begonnen met Theatro Fantastico buiten in het Museumpark naar Boijmans Van Beuningen. Berend Lenstra ging popfestivals bij ons te organiseren, hij was weer van een jongere generatie programmeurs. Neen, het International Film Festival Rotterdam, een activiteiten van een andere afdeling van de Kunststichting, wilden we perse niet kwijt zoals we andere activiteiten van de Kunststichting wel konden missen. Door het filmfestival konden we eens per jaar even dicht en de boel goed schilderen. De films van het IFFR programmeerden we sowieso al het hele jaar door in onze twee en later vier filmzalen, onder de naam het Venster. Dus dat IFFR hoorde wel bij ons, daar hadden we door onze filmprogrammering verwantschap mee en met Jacques van Heijningen, die eerder in de Lantaren de filmwerkplaats deed, hadden we een stevige filmprogrammeur. 

De Lantaren was op dat moment het enige theater in Rotterdam dat niet onder de Dienst Gemeentelijke Kunstgebouwen viel. Maar we hadden met de directeur daarvan, Willy Hofman, goed contact. Hij was erg genereus. Als wij een voorstelling wel wilden hebben maar niet konden betalen dan vroegen we hem om steun en dan kwam er altijd wel een bijdrage uit een potje van zijn dienst. Willy had veel petten op en had een slimme boekhouder. Hij was erg geporteerd voor de Lantaren en ons soort programmering.

Barwinsten

Dat zowel de Lantaren als het Filmfestival onderdeel van de Kunststichting waren had voor ons wel een nadeel. We hadden in die tijd fantastische baromzetten, we hadden niets verpacht en deden alles in eigen beheer, we verdienden goed. Maar binnen de Kunststichting werden onze winsten overgeheveld naar afdelingen die tekorten hadden, vaak de film die altijd grote financiële problemen had. Daar streed ik vaak tegen, ik wilde de barwinst in de theaterprogrammering stoppen en dat verloor ik dus nogal eens. Ik wilde graag met de Lantaren weg bij de Kunststichting, het instituut zorgde voor veel extra administratie en het leverde ons helemaal niets op. Dat lukte pas onder RKS-directeur Paul Noorman die was aangesteld met de opdracht om zijn organisatie af te slanken. Lantaren/Venster werd ondergebracht in een nieuwe stichting met een eigen bestuur en een gemeentelijke subsidie. Tien jaar leiding geven is lang en de wereld verandert om je heen. Eind jaren tachtig begonnen we na te denken over de toekomst van de Lantaren en toen hebben we collectief besloten om er mee op te houden, om ruimte te maken voor een nieuwe ploeg. We zijn ook allemaal gestopt, de gehele dagelijkse leiding bestaande uit zes stafleden. Dat was ook de enige keer dat we een echt conflict met ons bestuur kregen, over mijn opvolging. Het bestuur had ons mandaat gegeven om een opvolger voor mij te zoeken en toen we met een voordracht aankwamen vond het bestuur die helemaal niets. Die stelden toen gewoon hun eigen kandidaat aan, dat werd Theo Ruyter en wij vertrokken. Onze kandidaat van dat moment werd jaren later toch nog theaterdirecteur in Rotterdam: Jan Zoet werd aangesteld als opvolger van Carel Alons in de Rotterdamse Schouwburg.

Periferie van Rotterdam

Ik  kon gelijk de volgende dag in januari 1990 bij het Ro Theater aan de slag wegens ziekte van een van de spelers. Het was uitermate plezierig om eens een tijdje in zo’n groot gezelschap te kunnen werken, na tien jaar dag in dag uit overal voor verantwoordelijk te zijn geweest. Ik kon weer eens in een mooi stuk spelen, Zomergasten in de regie van Antoine Uitdehaag, bij een toen fijn gezelschap. Ik was overigens ook in mijn Lantarentijd wel blijven spelen, bijvoorbeeld in onze Zomerschool, in de werkplaatsen en in coproducties met het OT. Uiteindelijk speelde ik drie jaar vast bij het Ro Theater. Ik speelde ook bij De Trust met Theu Boermans en Toneelgroep Amsterdam met Gerardjan Rijnders, bij Mickery en bij het Noord Nederlands Toneel. Ik speelde verder ook drie jaar achtereen op de Parade. Daarnaast was ik vanaf de jaren negentig voorzitter van de jury van het Eenakterfestival voor Scholieren, georganiseerd door Jeugdtheater Hofplein, daar ben ik na twintig jaar mee gestopt; bij mijn vertrek werd de naam van de wisseltrofee de Fred van der Hilst Trofee. Ik ging acteren in films, op televisie, ging als stemacteur voor commercials werken, ik deed alles wat ik leuk vond. Voor Nickelodeon speelde ik acht jaar lang Sinterklaas in de producties van Studio 100 uit Vlaanderen. Ik doe ook meer met het improvisatietheater voor de kleine zaal Nachtgasten van Koen Wouterse, Niels Croiset en Yorick Zwart doe ik ook mee en met hen sta ik nu weer overal in Nederland te spelen, een geweldige ervaring. Ik werd af en toe wel benaderd voor een directeurschap ergens maar dat wilde ik niet meer. Het werd in Nederland de tijd van het ‘artistiek ondernemerschap’ en dat is een verschrikkelijk begrip, dat ondernemerschap vergiftigt het theater. Alsmaar bezig zijn met sponsors zoeken…

Daarnaast heb ik hier in Rotterdam met enkele andere acteurs een eigen gezelschap Hond & Wolf, een acteurskern die af en toe wordt uitgebreid. We zijn een leesgezelschap, we spelen met het script in de hand. We zetten gedichten op muziek, van Reve tot Nijhoff. Ik moet tegenwoordig zelfs ook zingen, dat is nieuw voor mij als acteur. We treden op in kleinere theaters, in Rotterdam een beetje in de periferie van de stad zoals in  Theater Walhalla en De Bakkerij op de Bergweg. Die periferie is trouwens vruchtbaar, je ziet nu in Schiedam een nieuw theatergezelschap ontstaan, ‘De Stokerij’, een initiatief van Koen Wouterse, Anne Rats en Yorick Zwart. Overigens wel significant, dat een nieuw gezelschap in Schiedam ontstaat en dat Koen Wouterse in die stad is gaan wonen. En dan zie ik ook nog recent een bijzondere voorstelling van Romana Vrede in de Noletloods in Schiedam. Het is opvallend wat er nu in de periferie van Rotterdam, buiten het stadscentrum, aan het gebeuren is.

Floorshow

Nog in mijn tijd als directeur van de Lantaren werd ik door Carel Alons die toen directeur van de Rotterdamse Schouwburg was gevraagd om de Floorshow te doen. Carel was direct na de opening van het nieuwe schouwburggebouw begonnen met die talkshow over de actualiteit van kunst en cultuur en Rotterdam, in de vorm van een wekelijkse talkshow met een wisselende ploeg presentatoren. Dat tempo was niet vol te houden en hij vroeg mij voor een maandelijkse talkshow. Dat heb ik zestien jaar gedaan. Ik vond het belangrijk om te doen, hoewel mijn collega’s in de Lantaren het wel vreemd vonden dat ik voor een ander theater ging werken. Langzamerhand werd Maria Heiden, toen van boekhandel V/h Van Gennep, mijn partner als presentator. Ze begon met een boekenrubriek maar haar rol groeide in de loop der tijd uit tot co-presentator. We hadden een redactie en eens per jaar gingen we met elkaar eten en maakte een uitstapje. Dat was de enige tegenprestatie van de kant van de schouwburg, want niemand van ons werd betaald. Dat bestaat nu niet meer, dat je zoiets zestien jaar voor niets doet. Jan Zoet, de opvolger van Carel, wilde op een gegeven moment niet met ons verder gaan. Het was me niet echt duidelijk waarom, volgens hem was het publiek van de Floorshow op ons uitgekeken. Anderen namen de talkshow over, maar erg lang heft die niet meer bestaan. Nu is er dus in Rotterdam geen regelmatige talkshow meer die over de volle breedte van de kunst informeert.

Wonen in Rotterdam

Jawel, Rotterdam vreet zijn eigen kinderen op. Als er iets opgelost moet worden, worden mensen van buiten gehaald. Rotterdam lost zaken op door mensen van buiten te halen, niet door eigen mensen er op los te laten. Wat er nu met het Ro Theater gebeurt, die gedwongen fusie met de Rotterdamse Schouwburg, de aanstelling van Johan Simons en nu weer van Melle Daamen, ik vind het echt verschrikkelijk. Dit zijn oplossingen die beleidsmakers verzinnen, Jan Zoet was louter een beleidsmaker. Theater Rotterdam is bedacht als constructie in beleidstermen, er zit geen enkele artistieke-inhoudelijke visie achter. Voor het jeugd- en jongerentheater MAAS geldt het zelfde, ook een fusie die bedacht is voor theatermakers die totaal uiteenlopende artistieke ideeën hebben. Dat soort constructies leidt tot allerlei vetes, het gaat niet werken. Je moet mensen niet van buiten halen, van bovenaf droppen en ze dwingen om met de neuzen de zelfde kant uit te gaan staan. Als er geen gezamenlijke artistieke drive achter zit wordt het niets. Rotterdam heeft een gebrek aan collectief geheugen. We gaan de fouten uit de tijd van de Toneelraad opnieuw maken. 

Waar ik me enorm aan erger is dat kunstenaars, creatieve makers niet in de stad komen wonen. Als je dat accepteert dan weet je het al: die krijgen nooit binding met de stad. Een artistiek leidster van het Ro Theater die al die jaren niet in Rotterdam komt wonen, dat is slecht voor de stad en voor het Ro Theater. Zie ik nog spelende collega’s in het café? Nee dat ontbreekt in Rotterdam volledig. In mijn tijd was de Lantaren een ontmoetingsplek voor kunstenaars en niet alleen voor acteurs. In de Lantaren kwam je als OT-medewerker ook de grafische vormgevers van Hard Werken tegen en al die andere disciplines die in de stad actief waren, de popmusici, de jazz en daarmee kon je de stad begrijpen. Die humuslaag ontbreekt nu en als de mensen van een stadsgezelschap hier niet wonen leren ze de stad niet kennen. Natuurlijk, wij werden  als Onafhankelijk Toneel ook geïmporteerd maar we verbonden er direct de conclusie aan dat we dan ook allemaal hier moesten gaan wonen. Rotterdam heeft iets eigens, er zit iets in deze stad dat net even anders is en dat begrijp je niet als je als acteur ‘s avonds terug gaat naar Amsterdam om in de Smoeshaan met elkaar aan de bar te hangen. Als je hier werkt moet je ook voor de stad kiezen en er blijven.” – HB & EB

Misschien vind je dit ook leuk