Column

Een schaamteloze vertoning

Door
Erik Beenker

Tegen sluitingstijd van de markt ging het regenen en dus werd het in de stadsbus extra druk met mensen die droog naar huis wilden. Daarbij ook een opvallend stelletje. Hij Mister 6-pack: lang, slank, breedgeschouderd en met een gespierde nek die in een rechte lijn doorliep naar de kruin. Vandaar af begon een naar voren gekamd jongensachtig kuifje op het verder kaalgeschoren hoofd. Hij leek de ideale pornoacteur, getraind lichaam, heupen vol stampende energie. Vanuit de mouw van zijn strakke T-shirt kwam op de rechterbovenarm een octopus omlaag gekronkeld met lange tentakels vol zuignappen. De tattoo eindigde achter de elleboog. Ook de vrouw had zo haar charmes. Weliswaar had ze een nogal plat gezicht, maar dat werd ruimschoots gecompenseerd door opzichtig naar voren priemende borsten.

Bij de volgende halte kwam een groepje lawaaiige vrouwen de bus binnengerold. Antilliaans/Surinaams zo te zien en te horen. Terwijl ze op verzoek van de chauffeur ‘er komen nog meer passagiers’ naar achteren doorliepen, passeerden ze het stelletje dat tegen elkaar geleund stond. Een van de vrouwen, een klein opdondertje, bleef plotseling stokstijf staan, bekeek de man van top tot teen en zei toen knoerthard: ‘Zo één zou ik ook wel willen.’ Het platte gezicht reageerde onmiddellijk. ‘Hij is anders niet goedkoop hoor!’ ‘Hoezo?’ vroeg de kleine. ‘Nou hij drinkt alleen maar champagne met van die glitters erin.’ ‘O, maar dat vind ik ook lekker’, zei de kleine en terwijl ze verder naar achteren doorliep, riep ze over de hoofden van de andere passagiers heen ‘Kunnen we niet iets regelen? Wij met z’n drieën?’ De vriendinnen schaterden, maar de rest van de bus viel stil. Twee vrouwen met een hoofddoek deden opzichtig alsof ze niets hadden gehoord. De prijsstier zelf reageerde niet, maar de vrouw snoof verachtelijk; ‘Ja, waarom niet? Nou, daarom niet!’ Er was geen speld tussen te krijgen, al deed de kleine, onder aanmoedigend gejoel van haar vriendinnen, nog een paar pogingen. Twee haltes verder stapte het stel uit. De kleine keek ze broeierig na en riep: ‘Nou, ik weet wel wat jullie gaan doen!’ Het platte gezicht, al op straat, draaide zich om en schreeuwde: ‘Ik ook en het begint met een f.’ 

Wat is dat toch met Rotterdam? Ondanks het bombardement, de wederopbouw, het beschavingsoffensief van naoorlogse stadsbesturen met hun verheffingsidealen, ja, ondanks dat de hoerenbuurt in Katendrecht is weggesaneerd en de stad van kleur verandert, ondanks dat alles is Rotterdam nog steeds de ruige stad die het al altijd was. Is er ooit onderzoek gedaan naar de continuïteit van de omgangsvormen in Rotterdam dat al vanaf de middeleeuwen bekend stond om de zedeloosheid en vrijpostigheid van de inwoners en dan vooral tijdens de jaarmarkt? Was het ook de inspiratiebron waaruit Erasmus putte voor zijn Lof der Zotheid? En het grofgebekte leeft voort. Dertig jaar geleden, net naar Rotterdam verhuisd, was dit mijn eerste kennismaking daarmee; een visboer op de markt die tegen een klant die begerig naar z’n vrouwelijk hulpje keek zegt: ‘Wacht maar tot je haar mossel geroken hebt. Dan word je helemaal gek!’ Bloemen verwelken, schepen vergaan, maar dit (grofgebekte) Rotterdam zal altijd blijven bestaan?

Ja, dat kan haast niet anders. De vrijgevochten houding van Rotterdammers is een eeuwige constante in de stadsgeschiedenis. Zie bijvoorbeeld wat de Portugese schrijver Ramalho Ortigão in de negentiende eeuw schreef over Rotterdam in zijn boek A Holanda, een verslag van zijn bezoek aan ons land in 1883 naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling in Amsterdam. Als hij in de herfst van dat jaar in Rotterdam is en ‘s avonds door een heftige regenbui wordt overvallen, gaat hij schuilen in de overdekte Passage, de koopgoot van toen, bij de Hoogstraat. Dit is wat hij ziet: ‘In deze ruimte is de drukte enorm en het schouwspel aller merkwaardigst. (..) Groepen meisjes, zo tussen vijftien en vijfentwintig jaar, dienstmeisjes, naaistertjes, winkelmeisjes, lopen er gearmd en met de neus in de lucht; zij kijken vrolijk en brutaal uit haar ogen, praten, lachen luidkeels en dagen de mannen uit tot een soort carnavalsvermaak: zij steken de tong tegen ze uit, maken lange neuzen, trekken aan de panden van hun jas of de punten van hun snor, kriebelen op hun hoed, geven hun een knip voor de neus, lopen weg met hun wandelstokken of gooien met proppen papier. Mannen van alle standen en leeftijden - want die brutale meiden maken geen onderscheid en niemand is veilig voor haar uitdagingen - dienen haar van repliek en wreken zich door haar bruutweg om het middel te grijpen, ze achterna te lopen en beet te pakken in wilden ren, tot haar kousenbanden op de grond rollen en de veters van haar korsetten in stukken vliegen. Nooit in mijn leven heb ik zo een schaamteloze vertoning gezien!’ •

Misschien vind je dit ook leuk